donderdag 30 april 2015

Het Imaginair Realisme van Karl Hammer: Lees Mij! Er staat niet wat er staat!

READ ME: UNDER COSNTRUCTION (sic)
imaginair realistische collage 
van occulte geometrische figuren en symbolen,
gecreëerd door Ysa Pastora, geïnspireerd door


De man die je vandaag, 29 april 2015, op http://www.karlhammer.eu/about.htmlweemoedig door het raam ziet staren, volkomen verzonken in een egaal grijze omgeving, is Karl Hammer. Nadat ik op www.rauna.eu bekend maakte dat de beroemde onderzoeksjournalist er sinds kort twee geboortedata op nahoudt - 1959 en 1969 - is de 'about'-pagina van zijn website UNDER COSNTRUCTION (sic). Karl Hammer, of zijn enigszins dyslectische webmaster (die mogelijk ook aan dyscalculie lijdt) wordt gekweld door existentiële vragen, van het genre 'wie ben ik?' of 'wanneer werd ik geboren?' Het antwoord lijkt niet voor de hand te liggen, want de kwestieuze pagina is nu toch al enige tijd UNDER COSNTRUCTION.

Misschien kan ik het geheugen van de onderzoeksjournalist even opfrissen door een beetje research te doen op een andere webpagina, waar hij de lezer/kijker verzoekt: 'Read Me!'  Je vindt dit soort verzoekjes wel eens bij handleidingen, en inderdaad hou je beter een handleiding bij de hand als je het werk van deze man wil snappen. Niet toevallig begint Gezocht Codebrekers eveneens met het verzoek Lees Mij, dat je op zijn minst een keer of twee, drie, vier moet gelezen hebben om goed te kunnen plaatsen waar het boek wel en niet over gaat. Wél over Nazi symbolieken, niét over revisionisme bijvoorbeeld. De drie onderzoeksjournalistieke werken van Karl Hammer zijn overigens eveneens geschreven met de poëtica die gehanteerd wordt door het andere gezicht van dit Janusmasker: dat van de imaginair realist. 

('Hoezo, drie werken?' zul je vragen. Jawel, jawel... het derde deel van de onderzoeksjournalistieke Trilogie van de Tau, over Sint-Franciscus, werd eerst aangekondigd voor maart 2015, maar heeft blijkbaar enige vertraging opgelopen. Onwillekeurig vraagt een mens zich af of er een verband bestaat met de existentiële crisis waarin de imaginair realistische onderzoeksjournalist momenteel verkeert.) 

Maar goed, laten we terugkeren naar de pagina 
Ik heb gevolg gegeven aan het verzoek van Karl Hammer, en ik heb zijn boek gelezen over de gezochte Codebrekers. En ik heb mij verdiept in de manier waarop de imaginair realist wil dat je zijn artistiek-fotografisch werk zou lezen. In tegenstelling tot een magisch-realist die fantastische of irreële elementen in zijn werk gebruikt, is Karl Hammer namelijk een imaginair realist die realistische elementen gebruikt in een imaginaire context. Dat weet ik, omdat het zo op zijn website staat, zij het wel in het Engels. Want Karl is niet alleen een internationale onderzoeksjournalist, maar ook een internationaal vermaarde kunstfotograaf. Al moet je wel héél ver en diep in het wereldwijde web gaan zoeken, om artikels of zelfs maar verwijzingen naar het werk van deze kunstenaar te vinden, ook in het Engels. Nochtans zou hij in 2012 in het kader van een wedstrijd van de Saatchi Gallery een 'Rembrandt in photography' genoemd zijn.

Zijn definitie van imaginary realism wijkt enigszins af van wat je zoal vindt op het web, maar dat mag uiteraard wel. Het probleem dat ik met Karl heb, is dat ik - welke artistieke discipline of welk thema hij ook aanpakt - binnen de kortste keren het gevoel krijg dat hij de boel aan het belazeren is. Of de kluit aan het bedonderen, dat kan ook. Ikzelf zou zijn artistieke kunstfotografie een heel ander label meegeven, maar oké - ik ben geen kunsthistorica en ik doe niet aan kunstkritiek. Hooguit aan historische kritiek. Of literaire. Zo kunnen zijn zogenaamd onderzoeksjournalistieke werken perfect gedefinieerd worden als een (stuntelig gemaakte) postmoderne, intertekstuele collage van - zonder bronvermelding - geleende ideeën en ready made's. 

In zijn boek Satans Lied (later herdoopt tot De grootste kunstroof van de eeuwdropt Hammer de realistische elementen rond de grootste kunstroof van de eeuw in het volslagen imaginaire verhaal van de jacht van de CIA op Jezus Christus, gekristalliseerd rond de figuur van Tom R., een anagram van MORT. In zijn boek De tranen van de wolf (later herdoopt tot Gezocht Codebrekers) verwerkt Hammer een wel degelijk authentieke ready made (en dus 'realistische') gecodeerde partituur in een volstrekt imaginair verhaal, opgehangen aan de kapstok van een literair-technisch tweelingbroertje van Tom R. - Peter Schulz - waarbij vervolgens ook de namen van Bormann, Schwarz, Pastoor Otto en Werwolf hun plaats krijgen.
  
Dezelfde indruk - een collage van frasen en ideeën te lezen - maakt deze Read Me op mij. Want in plaats van een kunstcriticus aan het woord te laten over zijn werk, voor mijn part de jury die hem een Rembrandt van de fotografie noemde, moet je het stellen met een kort tekstje (van Hammer zelf, of van een anonieme medewerker uit zijn team?) en een enkele poster. Beide verdragen ze amper de close reading waar Hammer om vraagt. 

Bijvoorbeeld:

Where magic realism uses fantastical and unreal elements, imaginary realism strictly uses realistic elements in an imagined scene, staat er letterlijk onder die Read Me te lezen. 
Willink zelf hield niet van de benaming magisch realisme, hij noemde het liever imaginair realisme, het zo realistisch mogelijk schilderen van de verbeelding, lees ik op de Wikipedia van Carel Willink. 

Kijken naar de kunst van Karl is niet altijd hetzelfde als die kunst ook 'zien', leren we verder nog op de pagina waarvan we hopen dat ze na deze post ook niet weer voor onbepaalde tijd UNDER COSNTRUCTION zal gaan verkeren. In zijn fotografie geeft Karl hele verhalen mee, zelfs subplots, door - bijvoorbeeld - het gebruik van symbolen en geometrische figuren. Daarom is het zo belangrijk de kleine details te vinden die hij in zijn werk verbergt. You can then ask yourself (...) why the pagan nevertheless has a Catholic cross tattoed on his chest. Even goed kunnen we ons bijgevolg de vraag stellen waarom de zelfverklaarde ebioniet zo focust op geldelijke beloningen, of waarom hij een symbool om de hals draagt dat enerzijds heel heidens is (de Hamer van Thor), anderzijds ook zeer christelijk (het Antoniuskruis), daar bovenop even goed een Tau voorstelt... en alleen Joost weet wat nog allemaal. Het mag duidelijk zijn dat wat geldt voor de kunst en de literatuur van Karl Hammer ook geldt voor het leven van de schrijver en kunstenaar. Leven en werk zijn elkaars dubbelzinnige spiegelbeeld.

Karl daagt de kijker uit: 'Welke extra lagen heb ik zoal in mijn werk verborgen?' En hijzelf - of zijn webmaster, of het reeds geciteerde anoniem lid van zijn team - analyseert de poster Idyllic. Merkwaardig genoeg voldoet dit exempel van het imaginair realisme van Karl Hammer niet aan zijn eigen definitie, waarin realistische elementen in een imaginaire context verschijnen. Vergelijk deze foto met het gros van de foto's die Hammer publiceert, en je belandt daar volop in een mythisch en mystiek universum, ontsproten aan de verbeelding (en dus 'imaginair') en bevolkt met de fantastische en irreële elementen uit het magisch-realisme, dat evenwel in tegenstelling staat tot wat Hammer pretendeert te doen. Deze foto, Idyllic, bestaat uitsluitend uit realistische elementen. Er is niks imaginairs te ontdekken aan het bergachtige landschap, de fauna en de flora in dat landschap, of de vrouw die met haar voeten niet aan, maar in het koude water zit. 

De perfect realistische elementen in het perfect realistische landschap hebben al eens een symbolische betekenis, dat klopt. Maar dan kom je eerder uit bij een symbolistisch kunstwerk, en niet bij een proeve van imaginair realisme. We zien een jonge vrouw naar twee waterlelies kijken, in dit geval symbolen van vruchtbaarheid en moederschap, vertelt een anonieme stem ons. Maar de attente toeschouwer zal vast ook twee zwanen en twee herten opmerken, een boom - symbool van het leven - en heel in de verte nog twee boompjes, die niet voorkomen in de tekst maar op een derde weergave van de foto wel met andere elementen op de pagina worden verbonden door occulte geometrische figuren. Het zijn precies deze geometrische figuren die de foto tot meer schijnen te maken dan alleen maar een visueel kunststukje. Uit wat die meerwaarde dan precies bestaat, komen we echter niet te weten op deze Read Me pagina.

De analist van dienst gaat ook niet verder in op de mogelijke symboliek of betekenis van de drie tweeën die hij vermeldt, terwijl er eigenlijk vier te zien zijn op de foto (het boompjespaar maakt zelfs, heel toepasselijk, deel uit van een groene driehoek). Daarom doe ik hier maar een bescheiden poging. Want Karl 'verklaart' zijn werk niet graag. Liever nodigt hij zijn fans uit op een wonderbaarlijke reis door dat werk, uiteraard te ondernemen met een open geest. Het is een invitatie die ik niet mag afslaan. 'Lees maar, er staat niet wat er staat,' schreef Martinus Nijhoff al  in zijn beroemde gedicht Awater. Fantastisch was de reis ongetwijfeld al, wie weet waar een diepere analyse van Leven & Werk van deze imaginair realist mij nog brengen zal!

Deze Hamer van Thor werd mij bezorgd
door onderzoeker Pieter Marinus,
waarvoor dank.

Je zult het met mij eens zijn dat er qua geometrische figuren niet echt opzienbarende ontdekkingen zijn te doen op de idyllische foto van Karl Hammer. Neem drie willekeurige punten die niet op een rechte lijn liggen... en hoe groot is de kans dat je een driehoek krijgt, denk je? Nee, wat echt in het oog springt, is de onmiskenbare getallensymboliek die uitdrukkelijk speelt met de cijfers 2 en 3, en door opzettelijke omissie ook met 4. In Gezocht Codebrekers laat Hammer - of Schulz? - eveneens opzettelijk dingen weg. 

Zo gaat het er bij mij niet in dat er geen woord gezegd wordt over het hoofd van Unternehmen Werwolf, Otto Skorzeny - die na de oorlog een clandestiene organisatie heeft opgezet én een zakenimperium, met... fondsen van de Reichsbank. Mijn volgende post zal dan ook dit merkwaardige hoofdstuk aanpakken. Want ook de afbreker bouwt op, wist de schrijver Louis-Paul Boon al. Als de Hamer van Thor het verhaal van Karl Hammer tot dusver vooral afgebroken heeft, dan wordt het nu stilaan tijd om op te bouwen. Ja, dat kan je ook met een hamer. Deze post mag bijgevolg beschouwd worden als een keerpunt. Ging het tot nu toe vooral over wat Karel Hammer wél schreef, dan zullen we het voortaan in de eerste plaats hebben over wat hij niet schreef. Over de onverklaarbare omissies in zijn werk, met andere woorden.

Maar laat ons eerst nog even bij de symboliek van het cijfer twee vertoeven. Ze brengt ons rechtstreeks bij begrippen als dualiteit, dualisme en duade, die we onder meer kennen uit de informatica en de projectieve meetkunde, uit de lineaire algebra en de functionaalanalyse - beide deelgebieden van de wiskunde, waar elke vectorruimte V een overeenkomstige duale ruimte heeft. We kennen het begrip in de religie en de filosofie: het ethisch dualisme concentreert zich op de tegenstelling tussen Goed & Kwaad (denken we maar aan het Manicheïsme), het kosmisch dualisme op de tegenstelling geest-materie, eindigheid-oneindigheid. Het Chinese Yin & Yang is overigens ook een mooi voorbeeld van de tegengestelde elementen waaruit het hele universum bestaat. 

Dualiteit... Het zit in de mythische en mystieke notie van de dubbelganger die ook een Karl Hammer ongetwijfeld rondlopen heeft (in spiegelbeeld?). We vinden het terug in een sterrenbeeld (Tweelingen) en als embleem van de Tempeliers (zie hun zegel) die hier al eerder ter sprake kwamen en mee de dienst uitmaken in het eerste boek met de twee titels dat Karl Hammer geschreven heeft. 

'God dobbelt niet,' zei Einstein al. Welnu, ik denk dat een symbolist van het kaliber van Karl Hammer evenmin dobbelt. Als hij er twee geboortedata op nahoudt, is dat geen foutje van een anonieme webmaster die een probleem heeft met cijfers en letters: dan is daar een goede reden voor... Read Me! 

Een imaginair realist van deze orde stelt zijn tweede boek over hetzelfde onderwerp niet voor niets voor op 12-12-12. Het zou indruisen tegen zijn hele poëtica, die aan elkaar hangt van de dubbelzinnige symboliek, als hij zomaar die datum had gekozen omdat het toch zo'n 'mooie datum' is (De Morgen, 12-12-12).  

Read Me!

'Soms wordt dit gedaan omdat men gemakkelijk wil scoren en op het onderbuikgevoel van het publiek inspeelt,' schrijft Hammer over 'een grover staaltje geschiedvervalsing' dat amper denkbaar is, gepleegd door de VPRO (lees de allerlaatste pagina 240 van zijn boek Gezocht Codebrekers). 'Op andere momenten wordt het gedaan om een verborgen agenda door te drukken of weer eens een miljoenenclaim ergens los te wrikken.'

Jawel, uiteindelijk komt het inderdaad neer op één van deze twee mogelijkheden. Tenzij je twee vliegen in één klap wil slaan, natuurlijk.

LEES MIJ staat er nog voor Gezocht Codebrekers van start gaat.

LEES MIJ
Er staat niet wat er staat:


(PS: Meer kunstkritiek... en ook meer over de Twee van de Rue des Deux Tours, Saint-Josse, die figureert in de Postkaart Code, vind je in het ebook De Hamer van Thor.)

donderdag 23 april 2015

Hammer + Edelweiss + 1959 + Antonius

Sint-Antonius met Kind 1 -
Foto uit Archief Ysa Pastora

Het was de bedoeling deze informatie te reserveren voor het eerste boek De Hamer van Thor. Gezien de recente ontwikkelingen waarbij Jan Lavrijsen ervan werd beschuldigd gegevens uit het Dossier Lepage aan mij doorgespeeld te hebben, acht ik het alsnog opportuun nu publiek te maken waarom ik geen Nazi Schat ga zoeken in Antoniuskapelle of Tonihof

Ten eerste omdat ik over materiaal beschik dat mij te beurt is gevallen in het kader van een erfenis, met gegevens die als een soort parallelle Pastoorsbrief kunnen opgevat worden, en die ik voor het gemak de Postkaart Code noem. Er werden al een paar stukken uit die collectie gepubliceerd; het gaat in totaal over meer dan twintig items. Zij leiden naar een welomschreven locatie, die ik - eveneens voor het gemak - het Ware Punt zal noemen, en dat tot op deze donderdag nog door geen enkele onderzoeker werd beschreven, of zelfs maar gesuggereerd. Het is op basis van dit materiaal dat ik in Mittenwald terecht ben gekomen, en daar naar Edelweiss ben gaan zoeken. 

Ten tweede omdat eigen onderzoek - en dat van medewerk(st)ers die ik ondertussen heb aangetrokken - dit Ware Punt hebben bevestigd, op exact-wetenschappelijke wijze.

Ten derde omdat Karl Hammer zelf al te nadrukkelijk naar de Antoniuskapelle verwijst.


Sint-Antonius met Kind 2-
Foto uit Archief Ysa Pastora


Ik verklaar mij nader.

Als je gaat zoeken via Google en andere wegen naar Edelweiss in Mittenwald, dan kom je vroeg of laat bij de Reichsarbeitsdienst (RAD) terecht, in 1935 opgericht door de nazi's, om jonge mannen te verplichten gedurende zes maanden arbeidsdiensten te verrichten. De RAD was actief op de Buckelwiesen. Het logo van de Arbeitsgau Bayern-Hochland was het volgende:




Het staat open en bloot op de Wikipedia-pagina van de RAD met deze tekst: Längsovaler Schild mit einer Enzianblume und einem Edelweiß. Wobei der Enzian die weite Hügellandschaft und der Edelweiß die Felsgipfel der bayerischen Alpen symbolisierte. Das Abzeichen selber war in den Farben Braun, Blau, Weiß, Grün und Gold gehalten.

Dat was mij al een tijd bekend. Zoals mij ook al enige tijd was opgevallen dat Karl Hammer op zeker ogenblik zijn geboortejaar heeft veranderd: van 1959 werd dat ineens 1969. Een plotselinge opstoot van ijdelheid? Foutje van één van de (anonieme) medewerk(st)ers uit zijn team(s)? Waarom werd dat dan niet eenvoudig rechtgezet? Ik heb deze vragen al opgeworpen in mijn post over 12-12-12. Er valt geen zinnig antwoord te bedenken waarom een ernstig onderzoeksjournalist en internationaal auteur niet de moeite zou nemen om deze - recente - compleet foute informatie te corrigeren... tenzij hij precies de aandacht wil vestigen op één van beide data. Want vroeg of laat struikelt een andere onderzoeksjournalist daar toch over?

Zoals je kunt lezen in het Dossier Lepage - maar lang niet alleen daar, omdat het nu eenmaal om makkelijk verkrijgbare en 'openbare' informatie gaat - werd de Antoniuskapelle gebouwd in 1959. Toeval, zul je opwerpen. Mocht Karl Hammer zijn geboortejaar niet veranderd hebben, en  zijn boek Codebrekers voorgesteld hebben op een àndere dag dan de alleszins niet toevallig gekozen 12-12-12, ik zou geneigd zijn je te geloven. Maar in de gegeven omstandigheden, geloof ik niet in het Toeval, maar in een Betekenisvolle Coïncidentie, en zelfs niet eens in de betekenis die de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung aan dat begrip verleent.

De Antoniuskapelle werd gebouwd op het hoogste punt van het plateau van de Buckelwiesen, vlakbij de Edelweiss kazerne van de bergjagersschool... op de plek waar voorheen een Kreuz stond. De RAD had plannen voor omvangrijke werkzaamheden op de Buckelwiesen: het hoogste deel werd zelfs geëgaliseerd met het doel er een fors legercomplex te bouwen. Maar voor de rest kwam er van alle plannen niets meer terecht.

De kapel is privé-eigendom en bevindt zich op het grondgebied van het huidige Landhotel Tonihof. De grootvader van de huidige bewoner had in de jaren '30 een hoge rang in het leger. Naar verluidt was Hitler ten zeerste gecharmeerd door de omgeving en gaf hij aan zich na de oorlog in Gerold te willen vestigen. Ook hierover kunt u meer lezen in het Dossier Lepage, maar het zijn wel degelijk verhalen die men vrij snel te horen krijgt als men in de streek van Mittenwald het oor te luisteren legt; het hoort als het ware bij de lokale folklore.


Sint-Antonius met Kind 3 -
Foto uit Archief Ysa Pastora

  
En er is nog meer...

In mijn post van 26 februari wees ik er al op dat Karl Hammer - sinds hij van geboortejaar veranderde en zijn oorspronkelijke naam Hammer-Katee inkortte - zeer uitdrukkelijk poseert met de Tau. Het is een symbool dat geassocieerd wordt met de Hamer van Thor, maar ook met Franciscus van Assisi... en de heilige Antonius



Foto gebruikt met de toestemming van:


‘Het blauwe insigne was, volgens voorschrift, genaaid op de linkerzijde van de zwarte tunica en de zwarte mantel der hospitaalbroeders van de Orde van St. Antonius,’ lees ik op het web ([1]). ‘Het werd daarom ook wel Antoniuskruis genoemd. De Antonianen (…) droegen het overal uit en brachten het aan op alles wat ook maar enig verband met de orde had. (…) De tau werd aangebracht in de kerken, huizen en hospitalen der Antonianen en zij prijkte op het kleed, dat de zieken in het hospitaal droegen. (…) De tau was het embleem bij uitstek van de Antonianen. Zij was het embleem, waaronder zij tenslotte in het graf wilden rusten. De schrijn, waarin de relieken van Antonius in Saint-Antoine-l'Abbaye worden bewaard, is getooid met een T.’

Ook de ridders in de Orde van Saint Antoine en Barbefosse  (Henegouwen, België) droegen het embleem. ‘Omstreeks 1382 stichtte Albrecht van Beyeren deze ridderorde, die in 1420 werd omgezet in een adellijke religieuze broederschap. (…) Op het schilderij van Van Eyck, Het Lam Gods, op het luik links van het middenluik — de Ridders van Christus — zien we een Ridder  behorende tot de Ordre Militaire et Hospitalier de Saint-Antoine en Barbefosse, die te identificeren is als Willem van Ostremont, oudste zoon van graaf Albert van Henegouwen (de oprichter van die Orde) en grootmeester in de Orde van Sint-Antonius. Hij is de aanvoerder van de groep ruiters in krijgsuitrusting, en van een coalitie van Europese vorsten. Hij draagt een zilveren schild met daarop een kruis van bloed.’



Het Tau Kruis in het schild
van de Ridder van Saint-Antoine en Barbefosse


In het centrum van het schild staat een Antoniuskruis. Sommige exegeten hebben deze ridder geïdentificeerd als een Tempelier, een behoeder van de Graal. Zo onder meer Patrick Bernauw, in boeken als Mysteries van het  Lam Gods (1991), De Mythe van de Rechtvaardige Rechters (1995) en Het Bloed van het Lam (2006). Andere gingen voor Jeanne d’Arc, zo onder meer Peter Voorn. Hun werk, en dat van wijlen Jos Bertaulet, werd door Karl Hammer uitvoerig 'gebruikt' in Satans Lied, later herdoopt tot De grootste kunstroof uit de geschiedenis. Patrick Bernauw heeft hierover geschreven in verscheidene posts: Satans Lied, de jacht van de CIA op Jezus, Peter Voorn en het cryptogram van het Schaap van God, Stichting Frieda, Topcrew, Ebion en Karl Hammer.

Zoals Patrick Bernauw ook al stelde (Et Alors?is deze hele Hamer van Thor een deconstructie van het "onderzoek" dat Hammer gedaan heeft, én van alle onderzoekers die voortbouwen op de fictie die Hammer en/of Schulz en/of dames en heren achter de schermen, al of niet opererend onder pseudoniem, gecreëerd hebben. Zowat het enige authentieke en geloofwaardige in het hele boek De tranen van de wolf/Codebrekers is de gecodeerde partituur: het hele verhaal errond, opgehangen door Hammer en/of Schulz, bestaat uit... Nibelungen?'   

Ik ben er dan ook van overtuigd dat de Antoniuskapelle een dwaalspoor is, door Hammer uitgezet. Misschien is de plek tijdens de laatste dagen van de oorlog en kort daarna wel gebruikt om tijdelijk een Nazi Schat te herbergen, maar die zal daar nù - en wellicht al sinds 1959 - niet meer te vinden zijn. Het is een bliksemafleider. Want Sint Antonius van Padua is en blijft nu eenmaal de Patroonheilige van de Verloren Voorwerpen. Hij kon worden aangeroepen als volgt:

Heilige Antonius, beste vrind,
Maak dat ik m’n …. vind!

Of:

Heilige Antonius, lieve Sint,
Zorg dat ik m’n … vind!

Of:

Sint Antonius, Heilig Man,
Maak dat ik m’n … vinden kan!




Als je Hammer optelt bij Edelweiss (en Buckelwiesen) en dat combineert met het jaartal 1959 en de Heilige Antonius, kom je automatisch uit bij de Antoniuskapelle... en dus bij de fictie die Hammer heeft gecreëerd. Want àchter de code die naar de Antoniuskapelle leidt, zit nog een andere code, dieper geworteld en verder vertakt, die naar het Ware Punt leidt.

Ziehier de reden waarom een schrijver die de inkomsten uit zijn boeken wegschenkt aan goede doelen (die al eens zijn eigen Stichting omvatten) heel grote bedragen kan beloven als beloning voor wie - zeer uitdrukkelijk - na meer dan 60 jaar nog met "goud en diamanten" komt aandraven. Als je weet dat daar sinds pak weg 1959 niets meer te vinden is, loop je geen enkel risico daadwerkelijk een bedrag te moeten ophoesten.

Ziehier de reden waarom Uitgeverij Elmar op de webpagina van het boek Codebrekers nog steeds uitpakt met een beloning, maar tegelijk stelt dat "de actie al is afgelopen". Juridisch zijn deze praktijken ten zeerste aanvechtbaar. Maar om überhaupt recht te hebben op de beloning, moet je eerst met het goud en de diamanten komen aanzetten, en die zul je niet vinden bij de Antoniuskapelle...

Ziehier ook de reden waarom ik de androgyne Ridder van Saint-Antoine als mijn 'avatar' heb gekozen. Je mag het gerust beschouwen als een provocatie van mijn kant. 

Al heb ik dat natuurlijk ook een beetje gedaan omdat ik de postkaarten aantrof onder drie beelden in het huis van wijlen mijn grootvader, die telkens Sint-Antonius met Kind voorstelden.






zaterdag 18 april 2015

Jan Lavrijsen over Ysa Pastora

Foto Postkaart Code (Back) - uit het Archief van Ysa Pastora
(Rigi-Klösterli 3.1.51 - Helvetia)


Op vrijdag 17 april om 19:05 uur postte Jan Lavrijsen onderstaande reactie op de Facebook pagina van Ysa Pastora.

Vanmiddag belde een vermoedelijk jonge vrouw met een moeilijk te plaatsen tongval die zich aan me voorstelde als Ysa Pastora. Dé Ysa Pastora die me eerder enkele keren schreef, vroeg ik, waarop ze bevestigend antwoordde. Ze wist ervan, zei ze, dat haar personage nogal laatdunkend op mij geprojecteerd werd, en bood daarvoor haar excuses aan. Ze wenst geen onverkwikkelijk gekibbel tussen onderzoekers onderling over irrelevante zaken. De cyclus betreft louter de zaak, geen individuele personen, liet ze weten. Over welke zaak gaat het dan, vroeg ik, maar daarover wilde ze zich nog niet uitlaten. 
Even later ontving ik een bericht van Patrick Bernauw, die mijn reactie vroeg op het gesuggereerde verband tussen mij en Ysa Pastora, en tegelijk informeerde naar mijn belangstelling in deelname aan het Rauna project. Mijn medewerking wil ik best verlenen, deelde ik hem mee, maar ik schreef hem ook dat ik alles waar ik weet van heb al eerder via de mail vertelde aan Ysa Pastora toen zij twee tot drie maanden geleden contact zocht met me. 
Als er een verband bestaat tussen mij en Ysa, dan is dat in bovengenoemde zin dus correct. Ik volg haar presentatie op het net maar weet niet waar ze naar toe wil, of wat het uiteindelijke doel en de context is van al die schatzoekerij. Stomverbaasd was ik toen ik de beschuldiging en de insinuaties op het net las. Enerzijds geamuseerd, anderzijds geërgerd toen ik de vreemde kwalificaties las die mij plompverloren toegedicht worden. Ik zal ze laten voor wat ze zijn. 

Jan Lavrijsen



Foto Postkaart Code (Front) - uit het Archief van Ysa Pastora



vrijdag 17 april 2015

Over Ysa Pastora... de Lorelei van een vierdelige Rheingold-Serie?

Postkaart uit de Rheingold-Series, collage met de Lorelei:
uit het Archief van Ysa Pastora
(klik op de foto voor een groter beeld)

Patrick Bernauw:

Een paar uren geleden (vrijdag 17 april, omstreeks het middaguur) heb ik telefonisch contact gehad met Ysa Pastora, die belde vanuit Zwitserland: een (alvast jong klinkende) vrouwenstem die zeer behoorlijk Nederlands sprak, zij het wel met een duidelijk accent. Ysa stond erop mij voor het eerst “in levende lijve” te contacteren, vanwege de publicatie van het Dossier Lepage op mijn eigen Facebook pagina en die van Ysa Pastora, en de associatie van haar schuilnaam met de persoon van Jan Lavrijsen. Eerder deze maand (8 april 2015) had ik al een handgeschreven briefje van Ysa ontvangen, gewoon via de post, afgestempeld in Antwerpen, waarin zij vooruit blikte op mijn verjaardag (zie foto).
Wat de mogelijke connectie Pastora-Lavrijsen betreft, wilde zij enkel kwijt dat zij graag bereid is mij binnen afzienbare tijd ook “in levende lijve” te ontmoeten, zodat ik er mij met eigen ogen kan van vergewissen dat zij wel degelijk tot de vrouwelijke kunne behoort en geen “gepensioneerde professor” is. Met de kwestieuze “professor”, Jan Lavrijsen, neem ik overigens ook nog zo spoedig mogelijk contact op.
Na ons telefonisch onderhoud stuurde Ysa Pastora mij een mailtje met wat we een “officiële verklaring” kunnen noemen, die door mij alleen stilistisch enigszins werd gefatsoeneerd, en die u hieronder aantreft.



Ysa Pastora:

De genoemde Jan Lavrijsen is een van de drie bekende onderzoekers (in volgorde Lepage, Giessen, Lavrijsen) die hun hypothese op zeker ogenblik openbaar hebben gemaakt, maar ook hebben getoetst “in het veld”.  Daarnaast zijn er nog personen die wel een hypothese publiceerden maar niet zelf de schop ter hand namen, te weten Lagerwerf en Whistler. De hypothesen van Giessen en Lavrijsen zijn ondertussen ontkracht; dat is ook het geval met de eerste hypothese van Lepage. Zijn tweede, nu gepubliceerde hypothese, is bijzonder interessant… maar nog niet bewezen. (Het onderzoek van Hammer reikte amper verder dan het benoemen van Mittenwald.)

Ik nam kennis van wat Whistler en Lagerwerf poneren – de hypothetische context die Martijn Lagerwerf ontvouwt op zijn site (http://mlagerwerf.wordpress.com/pastoorbrief/) is zeer zeker ook een nader onderzoek waard. Ik heb, al dan niet via Patrick Bernauw, contact gehad met onderzoekers, zoals Pieter Marinus en Jan Lavrijsen. Van deze laatste heb ik trouwens vernomen dat hij na afloop van de plaatselijke sperperiode ten gevolge van de wereldtop en na het verkrijgen van  de benodigde vergunning een tweede poging wil ondernemen om de “schat” te bergen. Lavrijsen verklaarde daarbij dat hij eerder aan andere onderzoekers heeft gevraagd van de individuele projecten een gezamenlijk zoekproject te maken, maar dat hij daarop geen positief antwoord heeft gekregen.

Beschuldigingen over en weer met betrekking tot het al dan niet gebruiken van een pseudoniem of het “aftroggelen van geld” hebben geen pas. Ik ben niet de enige die in deze zaak een pseudoniem hanteert, en ik heb daar een goede reden voor. En ik ben ook lang niet de enige die samen met een co-auteur een non-fictie boek schrijft en daar geld voor vraagt. In het geval van mijn co-auteur Patrick Bernauw is het schrijven van boeken trouwens een professionele bezigheid; uit sommige reacties meen ik te mogen afleiden dat zijn beroep gelijk geschakeld wordt met het oudste beroep ter wereld.

Ik zal het nog één keer herhalen: het volledige verhaal krijgen we niet verteld in één enkel boek. We zullen daar vier boekwerken voor nodig hebben, die telkens een aspect van het Mysterie van Mittenwald pogen te verklaren. Een boek schrijf je niet in een paar maanden tijd, laat staan vier boeken. Op www.rauna.eu posten Patrick Bernauw en ikzelf regelmatig fragmenten uit dat eerste boek, “De Hamer van Thor”, dat nog in 2015 zal verschijnen. Het volgende boek zal “Het Geheim van de Runen” heten en is gepland voor 2016. 

Waarna zal blijken dat het Mysterie van Mittenwald van een heel andere aard is dan waar u nu aan denkt, en de kwestie een wending zal nemen die buiten het voorstellingsvermogen ligt van àl de hierboven genoemde onderzoekers, en van de lezers.


donderdag 16 april 2015

Edelweiss, Edelweiss...

Kolonel Franz Pfeiffer van de bergjagers
met het Edelweiss-embleem.


De nazi’s hadden aan het eind van de oorlog goud, deviezen, kunst en andere kostbaarheden, voor een deel afkomstig uit de Reichsbank van Berlijn, opgeslagen in de mijn bij Merkel. Ze werden daar meteen na de oorlog opgespoord door geallieerde kunstexperten ([1]). De vondst was zo enorm dat zelfs Eisenhower ze kwam bekijken.
In april 1945 werden twee treinladingen goud en deviezen uit de Reichsbank, getrokken door de locomotieven Dohl en Adler, via Tsjechië naar de vermeende ‘Alpenvesting’ (Alpine Redoubt of Alpenfestung) gezonden. De Alpenvesting zou oorspronkelijk een idee van Himmler geweest zijn, dat al dateerde van eind 1943: in geval van ernstige problemen zou de nazi top zich met elite strijdkrachten terugtrekken in het onneembare gebied dat zich uitstrekte over het zuiden van Beieren, het westen van Oostenrijk en het noorden van Italië. Andere bronnen beweren dat de plannen voor de Alpenvesting in de tweede helft van 1944 door Hofer, de Gauleiter van Tirol-Voralberg, naar Hitler waren gestuurd, maar dat Bormann ze maanden achter gehouden had. Toen hij het concept eindelijk aan Hitler voorlegde, was het te laat om er nog iets wezenlijks mee aan te vangen. Hoe dan ook, Hitler schijnt nooit wild geweest te zijn van het plan, en veel meer dan een mythe stelde de Alpenvesting niet voor. Maar Goebbels slaagde er met alweer een sterk staaltje propaganda in de geallieerden de daver op het lijf te jagen.
Pas in de tweede helft van april 1945 gaf Hitler het bevel voor de evacuatie van het overblijvende nazipersoneel uit het door de Russen belegerde Berlijn naar de Alpenvesting. Toen de Amerikanen korte tijd later doordrongen in het gebied, werd het al vlug duidelijk dat de gevreesde vesting niet meer was dan een luchtkasteel.

De schatten van de Reichsbank stonden onder de hoede van SS Obersturmbannführer (luitenant-kolonel) Friedrich Rauch, die eerder al over de veiligheid van de Führer had gewaakt in de Rijkskanselarij. Rauch was nauwelijks 16 jaar oud toen hij in 1922 lid werd van de NSDAP. Hij had de mislukte putch van 1923 meegemaakt, maakte later deel uit van de SA en werkte als politieman in Beieren. Rauch was een grote, sterke man zonder verdachte intellectuele kwaliteiten, een goed ruiter en een behendig skiër.
Op 9 april 1945 had het hoofd van de Rijkskanselarij, Dr. Lammers, Hitler weten te overhalen om het resterende goud in de Reichsbank naar een veiliger bergplaats te brengen in zuidelijk Duitsland. Op 14 april, terwijl het goud van de Reichsbank op transport ging, vloog Rauch naar Berchtesgaden om zijn orders op te halen. Het was de bedoeling de rijkdommen in de mijn bij Peissenberg te verstoppen, ruim 40 kilometer ten noorden van Mittenwald. Omdat er water in de mijn stond en de pompen niet werkten, besloot men het kostbare vrachtje maar naar de kazerne van de Wehrmacht in Mittenwald te brengen. Op 21 en 22 april escorteerde Rauch de schatten van de Reichsbank naar deze kazerne, waar de school van de bergjagers was gevestigd: de Gebirgjägerschule. Door de voortdurende luchtaanvallen nam het transport bijna twee weken in beslag.
Het hele verhaal wordt uitgebreid beschreven in een  aantal boeken, zoals het eerder geciteerde Nazi Gold van Ian Sayer en Douglas Botting, Storming the Eagle’s Nest: Hitler’s War in the Alps van Jim Ring of naslagwerken als Great Robberies, Facts on File.
Rauch liet het goud achter bij Wehrmacht kolonel Franz Pfeiffer, met vage instructies om het te beschermen tegen de geallieerden. Rauch zou zich in juni 1945 overgeven aan de Amerikanen, maar nadat hij een groot deel van de nazi schatten had helpen localiseren, werd hij vrij snel weer vrijgelaten. In 1948 emigreerde Rauch met zijn vrouw naar Argentinië, waar hij als José Federico Rauch een nieuw leven begon en zaken ging doen voor de Duitse staalfirma Exact SCL, die gevestigd was in Buenos Aires. Merkwaardig genoeg, zo ontdekten Sayer en Botting, zou hij daar nog een tijdje later het gezelschap krijgen van Franz Pfeiffer. Rauch keerde in de vroege jaren 70 terug naar Oostenrijk en overleed daar ook.
In april 1945 was kolonel Pfeiffer een veertigjarige oorlogsheld, veteraan van het oostfront, die in Mittenwald mocht komen herstellen van zijn verwondingen, als hoofd van de bergjagersschool. Een grote man, kalend, plichtsbewust. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de Nazi Schat lag bij het hoofd van de Reichsbank, Walter Funk. Diens vertegenwoordigers maakten de kolonel echter duidelijk dat het zijn opdracht was de Nazi Schat te verstoppen en veilig te stellen, tot de geallieerde wervelwind voorbij zou zijn getrokken en er uit de asse van het Reich een nieuwe Beierse staat zou verrijzen, die uiteraard ook op een of andere manier gefinancierd moest worden.
Pfeiffer liet zijn manschappen een deel van het goud verstoppen in de bergen bij de Walchensee. Daar beschikte hij over geheime munitie-opslagplaatsen op oefenterreinen van de Edelweiss-bergjagers. Omdat de plaatselijke bevolking lucht kreeg van wat er aan de hand was – varkensboer Veith wiens vrachtwagen gebruikt werd, had zijn mond voorbij gepraat – en omdat enkele ingewijden zelfs deviezen gingen ophalen, maakte Pfeiffer de depots leeg en liet hij ze met de grootst mogelijke spoed elders in de bergen weer verstoppen.
De Amerikanen hebben na de oorlog een groot deel van het goud gevonden, waarna het door compartimentering en slechte interne communicatie binnen het Amerikaanse leger spoorloos verdween. Een klein deel werd gestolen door soldaten die het gewoon met de post naar huis stuurden. Een groot deel van de deviezen werd na de capitulatie door Pfeiffer en de zijnen in het geheim gestolen uit de depots en verstopt in een groententuin bij een huis in Garmisch. Ook daarvan is slechts een deel teruggevonden door de Amerikanen.
Het merkwaardige is dat bij de schatten van de Reichsbank te elfder ure nog spullen zijn bijgevoegd afkomstig uit de Berchtesgaden, toen die vervoerd werden naar de Walchensee en voor de nacht opgeslagen waren in het ForstHaus in Einsiedl. Sayer en Botting hebben het in dat verband over een vrachtwagen waarvan de chauffeur verklaarde dat hij uit Berchtesgaden kwam, en die 11 mysterieuze kisten vervoerde. Iemand wierp er een blik in en zag flessen wijn, maar de kisten waren te zwaar om alleen wijn te vervoeren.
Jürgen Proske, een lokale onderzoeker uit Garmisch-Partenkirchen, vermeldt op zijn website ([2]) verklaringen van ooggetuigen, als zouden waardevolle goederen van hooggeplaatste partijbonzen aangekomen zijn in het Forsthaus van Einsiedl. Deze spullen werden apart gehouden van het goud en de deviezen van de Reichsbank, en waarschijnlijk elders in de regio verstopt. Hebben zij het over dezelfde spullen als die afkomstig uit Berchtesgaden? Hoge partijbonzen die in Berchtesgaden op de Obersalzberg een residentie hadden, waren benevens Adolf Hitler en zijn Berghof, Martin Bormann, en Hermann Göring en Albert Speer.
Ambtenaren van de Reichsbank waren stomverbaasd toen de dag na de levering bij de kazerne van Mittenwald en het daaropvolgend vervoer naar het Forsthaus, bij een controle bleek dat hun gegevens niet meer klopten. Er was veel meer aanwezig dan ze zelf aangevoerd hadden! Behalve de goederen uit Berchtesgaden bleken in de tussentijd ook nog waardevolle spullen van het Reichsbank filiaal in Konstanz gearriveerd te zijn.
Deze gebeurtenissen werden uitvoerig gedocumenteerd, onder meer door Sayer en Botting. Een deel van de extra’s zou toen weer opgehaald zijn uit het Forsthaus; ze verdwenen spoorloos en even plotseling als ze opgedoken waren. Apart verstopt in de bergen rond de Walchensee, zoals onder andere de Steinriegel, Klausenkopf, Simetsberg en de Herzogstand… en/of op de Buckelwiesen, vlakbij de kazerne van de bergjagers?
In de gecodeerde partituur valt meteen het woord ‘Edelweiss’ op. Dit kan een verwijzing zijn naar de bergjagers die het bloempje toen als logo gebruikten en dat nog steeds doen. Pas na de oorlog werd de kazerne van de bergjagers evenwel omgedoopt tot ‘Edelweiss kazerne’. Het is een aanwijzing te meer dat Pfeiffer en zijn bergjagers betrokken kunnen geweest zijn bij het verbergen van het goud en de diamanten waar de partituur naar zou verwijzen, of zelfs bij het creëren van de code die naar hun bergplaats verwijst. Maar het maakt er de rol van Bormann in het verhaal van Schulz/Hammer niet geloofwaardiger op. Misschien moeten we hier dan ook de reden zoeken waarom de  onderzoeksjournalist gedurende de vele uren die hij in Mittenwald sleet, of de gesprekken die hij daar voerde – onder meer met bergjagers – nooit achter deze toch wel essentiële informatie gekomen is. Indertijd deden geruchten de ronde, en uit mijn onderzoek ter plaatse blijkt dat ze dat nog steeds doen, als zou kolonel Pfeiffer goud verstopt hebben vlakbij de kazerne.
Pfeiffer emigreerde na de oorlog, zogenaamd platzak, naar Argentinië. Daar werd hij samen met Rauch mede-eigenaar  van een staalbedrijf. ‘Waar haalde hij het kapitaal vandaan?’ vraag ik mij samen met Sayer en Botting af. Ook Pfeiffer keerde in de jaren 70 overigens terug Duitsland.

Ik zou u nog veel meer kunnen vertellen over Edelweiss - zoals bijvoorbeeld de plekken waar je het zoal aantreft. Maar daarvoor zie ik mij genoodzaakt te verwijzen naar het ebook/boek De Hamer van Thor dat binnenkort zowel apart verkrijgbaar zal zijn, als in het abonnement. Er wordt ook gewerkt aan een Engelse vertaling.

Op deze site zult u ondertussen genoegen moeten nemen met dit filmpje: 





[1] The Monuments Men (2014), een Amerikaans-Duitse prent van George Clooney, gaat hierover. De film is losweg gebaseerd op het non-fictie boek The Monuments Men: Allied Heroes, Nazi Thieves and the Greatest Treasure Hunt in History van Robert M. Edsel.

donderdag 9 april 2015

12-12-12

Foto: Archief Ysa Pastora

De tranen van de wolf  verscheen in 2007, maar volgens Karl Hammer is zijn speurtocht naar het goud van de Reichsbank en de diamanten van Hitler al begonnen in 2004. Er is geen enkele reden om geloof te hechten aan deze datering. Zoals wel vaker in het geval van Hammer, wordt er volop verwarring gezaaid rond feitelijke gegevens. Wie de geheimen van de Nazi Schat wil ontsluieren, zal dus eerst en vooral een poging moeten doen om de mysteries rond Karl Hammer op te klaren. Pas als de mist rond zijn hoofd is verdwenen, en het duidelijk wordt welk spel gespeeld werd in Satans Lied, vervolgens in De tranen van de wolf en momenteel in zijn nieuw onderzoeksjournalistiek product over Franciscus van Assisi, kunnen we stap voor stap de waarheid ontdekken. Dat doe je inderdaad niet op één A4-tje, daar heb je wel degelijk een ebook of vier voor nodig.
Het begint al bij zijn geboortedatum. Toen Karl zich nog Hammer-Kaatee liet noemen, was dat 1959. Zoek even ‘Karl Hammer 1959’ op Google en je zult nog een aantal verwijzingen vinden naar 1959 ([1]). Gaat het alleen om een foutieve Wikipedia bijdrage, die ‘toevallig’ werd gecorrigeerd toen Karl alleen nog ‘Hammer’ wilde wezen? In het interview met BN De Stem, over Satans Lied, is het 1959. Ten tijde van De tranen van de wolf was het nog 1959, maar in de periode dat het boek werd herdoopt in Gezocht Codebrekers en ook Satans Lied een nieuwe titel kreeg, werd het 1969. Is de webredacteur van De Wereld Draait Door nog niet op de hoogte van de ‘correctie’, zodat op de pagina bij een video over Codebreker Hammer de ‘foutieve’ datum vermeld wordt? Maar hoe zit het dan met de toch vrij recente pagina van Salome Art Venture – vrij recent, omdat Hammers nieuwe carrière als kunstfotograaf dat ook is? Hoe zit het, ten slotte, met de eigen website van Karl Hammer, waar het ook al 1969 ([2]) geworden is? 
Als het onderzoek van Hammer, dat beschreven wordt in De tranen van de wolf, werkelijk gestart is in 2004, dan zou het drie jaar in beslag genomen hebben. Het boek eindigt abrupt, zelfs niet met een anti-climax – het stopt gewoon, nog voor de schattenjacht goed en wel van start kon gaan. In drie jaar tijd is Hammer erin geslaagd geen enkel piste te volgen die er écht toe doet. Over het verdwenen goud van de Reichsbank, waarop Schulz al meteen bij hun eerste kennismaking alludeert, slaagt hij er in een periode van drie jaar niet in één enkel boek te lezen dat hem op het spoor van Mittenwald en dus ook van kolonel Pfeiffer zou zetten. Over alle mogelijke onderwerpen die niet direct in verband staan met het eigenlijke thema schrijft hij daarentegen wel ettelijke tientallen pagina’s vol.
Gezocht Codebrekers start met een Lees Mij waarin Hammer het nodig vindt uitdrukkelijk te stellen dat dit ‘geen revisionistisch boek’ is. Dat is alleen nodig omdat Hammer naar schatting een honderdtal pagina’s spendeert aan thema’s als jodenhaat, zionisme en zo meer, die geen enkel rechtstreeks verband hebben met het eigenlijke verhaal van de Nazi Schat of de gecodeerde partituur. Op de allerlaatste pagina van Gezocht Codebrekers begint hij opnieuw over hetzelfde onderwerp, dat geen thema is van zijn boek. Hij stelt dat er nog steeds boeken en documentaires verschijnen die ‘een compleet vertekend beeld blijven schetsen’ van de Duitse geschiedenis, van de Groote tot de Tweede Wereldoorlog:

De Nederlandse televisie (VPRO) beweert bijvoorbeeld glashard dat Duitsland de Eerste Wereldoorlog was begonnen, omdat het nu eenmaal een groot leger had, dat het ‘niet in de garage’ wilde laten staan. Een grover staaltje geschiedvervalsing is amper denkbaar. Soms wordt dit gedaan omdat men gemakkelijk wil scoren en op het onderbuikgevoel van het publiek inspeelt. Op andere momenten wordt het gedaan om een verborgen agenda door te drukken of weer eens een miljoenenclaim ergens los te wrikken.

Er zijn hele bibliotheken geschreven over de omstandigheden die geleid hebben tot de Eerste Wereldoorlog. Over het standpunt van de VPRO – als dat al zo ongenuanceerd zou zijn vertolkt als Hammer hier laat uitschijnen – valt inderdaad iets te zeggen. Het meteen veroordelen als een wel zeer grof staaltje ‘geschiedvervalsing’, is op zijn beurt een uitspraak die de geschiedenis geweld aan doet, en misschien op zijn plaats is op een internet-forum, maar niet in een boek dat min of meer serieus bedoeld is, en ruimte laat voor enige nuance.
Nog een viezer smaak in de mond krijg ik evenwel van de stelling dat de VPRO op die manier ‘gemakkelijk wil scoren’ en ‘op het onderbuikgevoel van het publiek’ inspeelt. Als Hammer ergens goed in is, dan is het precies in dit gemakkelijk scoren door het spelen met heruitgaves die oude wijn in oude zakken bevatten, en met titels en ondertitels die steevast iets veel sensationelers beloven dan wat de lezer uiteindelijk voorgeschoteld krijgt. En hoe moet je het uitloven van en goochelen met beloningen voor het breken van een code anders catalogeren dan ‘inspelen op het onderbuikgevoel’?
Dat soort verwerpelijke technieken wordt volgens Hammer al eens gehanteerd om ‘een verborgen agenda door te drukken’ of ‘weer eens een miljoenenclaim ergens los te wrikken’. Ik heb al eerder aangetoond dat onze onderzoeksjournalist zich met zijn voor een deel geleende en voor een ander deel zelf verzonnen ‘non-fictie’ regelmatig in de eigen voeten schiet. Nu kent men in de psychologie ook zoiets als ‘projectie’, waarbij een patiënt ‘eigenschappen of emoties van zichzelf tracht te ontkennen, verbergen of verdringen door deze toe te schrijven aan iets of iemand anders’ ([3]). Ik wil bij deze bijgevolg uitdrukkelijk de vraag stellen aan Karl Hammer welke verborgen agenda hij met zijn boeken probeert door te drukken, of waar en hoe hij meent op deze manier een miljoenenclaim los te wrikken.
In dat verband moeten we ons ook maar eens de vraag stellen wat er van Schulz is geworden. Die verdwijnt in de slotbladzijden van Gezocht Codebrekers volledig uit beeld. In de Vlaamse kwaliteitskrant De Morgen ([4]) doet Hammer enkele merkwaardige uitspraken over zijn informant en feitelijke co-auteur.
Het begint met pastoor Otto:

De afspraak was dat Otto het document naar Schwarz zou brengen als Bormann vast zat in Berlijn. Dat was inderdaad het geval en nu komt voor mij het mooiste van dit verhaal: Otto komt in gewetensnood. Hij wil niet dat er nog meer bloed wordt vergoten. Hij houdt het document zelf en trekt zich na de oorlog terug in een klooster.

En waar zit Schulz in dit verhaal?

Pastoor Otto was weliswaar een antisemiet, maar hij had zich in Berlijn ook bekommerd om een joods jongetje die was achtergebleven en geen voedselbonnen had. Dat jongetje heeft Otto na de oorlog getraceerd om hem te kunnen bedanken. Uit de nalatenschap is dit document, bekend geworden als de ‘pastoorsbrief’, bij hem terechtgekomen. En de zoon van dit jongetje is dus die Schulz. (…)

‘Al die jaren was Schulz er niet in geslaagd het geheim te ontrafelen,’ schrijft De Morgen. ‘Hij hoopte dat de onderzoeksjournalist Karl Hammer hem verder kon helpen. Hammer deed dat op voorwaarde dat hij ook de geschiedenis in kaart mocht brengen en dat het geen bloedgeld zou zijn. “Want dan ben ik weg.” In 2008 schreef hij zijn bevindingen al eens op in het boek De tranen van de wolf. Schulz en Hammer loofden toen in gezamenlijkheid al 25.000 euro uit voor de oplossing. “Maar dat hebben we niet slim aangepakt destijds. Er was nauwelijks publiciteit.” Dat denkt hij nu beter aan te pakken, inclusief een heruitgave van het boek.’
De journalist, Bart Jungmann, is lichtjes in de war wat cijfers en data betreft. Nu ja, je zou van minder, met een gesprekspartner die zelfs twee geboortedata hanteert. Verscheen De tranen van de wolf nou in 2007 of in 2008, en gaat het over 25.000 euro die destijds ‘in gezamenlijkheid’ werd uitgeloofd, of over 25.000 dollar die in 2012 werd uitgeloofd door Hammer en/of uitgeverij Elmar, naar aanleiding van de publicatie van Gezocht Codebrekers? Eerder in het artikel heeft de journalist het al over 12.000 euro die Hammer in 2012 zou uitloven. (En als Hammer op dat moment 53 jaar oud was, dan is zijn geboortejaar 1959, en niet 1969 – maar dit geheel terzijde.)
Slordigheden van een snelle krantenjongen? In een paginagroot interview, geïllustreerd met foto’s van Hammer, de Marsch-Impromptu en een kaart van Mittenwald waarop met blauwe balpen de ‘Edelweiss’ kazerne, de ‘Hoher-Kranzberg’, ‘Schwarzwald’, ‘Kreuzwand’ en ‘Predigtstuhl’ zijn omcirkeld? Ik geloof het niet. Hammer goochelt zelf net iets te graag met feiten, cijfers en data om dit soort verwarring in de schoenen te schuiven van de journalist.
‘Na de publicatie van het boek werd de zoektocht een soloproject,’ gaat Jungmann verder. ‘Moe van de vergeefse speurtocht haakt Schulz af.’ – Wordt hier met ‘de publicatie van het boek’ De tranen van de wolf of Gezocht Codebrekers bedoeld? En als Hammer/Schulz ooit echt gezamenlijk een beloning hebben uitgeloofd, wanneer heeft Schulz dan definitief afgehaakt? Na de eerste of na de tweede uitgave van het boek? En was die speurtocht dan zo ‘vergeefs’ geweest? Nee toch! Hammer heeft Matthias in Mittenwald ontdekt en daar zelfs ene kolonel Pfeiffer gevonden, die wel degelijk belast is geweest met het verbergen van het goud en de rijkdommen van de Reichsbank!
Hammer blijft zich echter verstrikken in zijn eigen fictie, want volgens zijn ‘reconstructie van zowel historische als hedendaagse gebeurtenissen’, was het Schulz die Hammer contacteerde omdat hij op het punt stond de speurtocht op te geven, en omdat hij hoopte dat de onderzoeksjournalist hem verder kon helpen. Slaagt Hammer daar ook in – want Schulz heeft ondanks zijn jarenlang onderzoek ook nog nooit van Mittenwald gehoord –, dan is Schulz ineens niet meer geïnteresseerd en haakt hij af, ‘moe van het vergeefse speuren’… op het moment dat de speurtocht dus wel degelijk resultaten oplevert.
Op pagina 11 van Gezocht Codebrekers doet Schulz een voorstel aan Hammer: hij zal hem een fotokopie geven (van de gecodeerde partituur) en ‘een jaar de tijd om de bergplaats te vinden. Als me dat lukte was dat natuurlijk een sensationele vondst die ongetwijfeld de wereldpers haalde. Ik mocht als schrijver dan met de eer strijken, maar moest de opbrengst van de vondst met Schulz delen. Lukte het mij niet om de plek te vinden, dan moest ik het verhaal, inclusief document, publiceren en stond het iedereen vrij om op zoek te gaan.’
Een zeer merkwaardig voorstel is dat. Hammer krijgt een jaar tijd om de Nazi Schat te vinden en de opbrengst te delen met Schulz. Slaagt hij daar niet in, dan ‘mag’ hij niet alleen het hele verhaal, inclusief het document, publiceren… nee, dan ‘moet’ hij dat doen. Vindt Hammer de schat, dan wil Schulz de helft. Vindt Hammer ze niet, dan hoeft hij niet eens de helft van de auteursrechten als Hammer zijn verhaal en zijn document publiceert, en ziet hij ook af van welk aandeel of welke vergoeding dan ook als de schat gevonden wordt op basis van zijn gepubliceerde verhaal en document. Wat heeft Schulz in dat geval nog te winnen bij een publicatie van verhaal en document… tenzij dan dat die hoe dan ook worden gepubliceerd? En is het in dat geval niet zo dat die hele Nazi Schat hem eigenlijk gestolen kan worden? Dat ze maar een voorwendsel vormt om op een of andere manier verhaal en  document gepubliceerd te krijgen?
Er staat wel degelijk niet dat Hammer ‘mag’ publiceren, hij ‘moet’ het doen. Want, zo schrijft Hammer: ‘Het voorstel leek me interessant genoeg, tenminste als mijn uitgever er mee akkoord ging. Ik kon geen toezegging doen dat hij zomaar ieder willekeurig verhaal zou publiceren omdat ik dat nu eenmaal had beloofd tijdens een etentje. Mijn tegenvoorstel was dat Schulz mij het verhaal vertelde en dat ik vervolgens mijn uitgever zou polsen of hij akkoord kon gaan met publicatie, ook als ik de bergplaats niet zou vinden. Pas als de uitgever daarmee instemde, kreeg ik de kaart en ging mijn speurjaar in.’

Doe je een close reading op het verhaal dat Hammer bedacht heeft, dan blijkt de plot van deze ‘true crime’ al gauw zo lek als een zeef. In de krant lezen we dat Hammer zijn speurtocht begon in 2004 – en zo stelt hij het ook altijd voor: dat hij enkele jaren met zijn onderzoek (en zijn team van 15 volstrekt anonieme personen) in de weer is geweest.
Zijn eerste ontmoeting met Schulz situeert zich ‘op een receptie’, in een gezelschap van ‘diplomaten en zakenmensen’. In Hollywood films spreekt iedereen doorgaans Engels – ook als je een Duitser of een Nederlander bent die in werkelijkheid geen woord Engels kent. In jongensboeken uit vervlogen tijden en derderangs avonturenverhalen maakt het even goed niet uit welke taal helden en/of slechteriken spreken. En zo doet ook Hammer geen uitspraken over de taal die gehanteerd wordt op de receptie, ‘tijdens de gebruikelijke borrelpraat met hem en enkele andere gasten’, waar hij vertelt dat hij aan een boek werkt ‘over de meest bizarre kunstroof aller tijden’.  Waarschijnlijk zal dat wel Engels geweest zijn. Hammer maakt evenmin duidelijk wat de voertaal is tussen hem en Schulz. Is dat Engels? Of spreken ze Duits met elkaar?
Hoe dan ook, voordat Schulz met Hammer in zee gaat, wil hij eerst ‘het manuscript lezen dat ik op dat moment schreef om zelf te kunnen oordelen hoe ik met feiten omging. In september stuurde ik hem een exemplaar toe van De grootste kunstroof uit de geschiedenis’. Daarmee bedoelt Hammer natuurlijk Satans Lied, dat verscheen in september 2006. Los van de kwestie hoeveel manuscript van Satans Lied Hammer in 2004 al kon laten lezen aan Schulz, kunnen we ons ook afvragen in welke taal dat manuscript was geschreven. Niet in het Duits, toch? In het Engels, dan? Nee, want de vertaling kwam pas jaren later. Begreep Schulz met andere woorden voldoende Nederlands om de werkversie van een onvoltooid manuscript te lezen en op basis van zijn lectuur te kunnen oordelen hoe Hammer ‘met feiten omging’?
In een fictieve wereld, waarin het niet stoort hoe de auteur met feiten omgaat, hoeven we geen moment stil te staan bij dit soort vragen. Maar in de werkelijke wereld, die van de non-fictie en de onderzoeksjournalistiek, duiken ze onvermijdelijk op.  

Als een boek uitverkocht is, kan de uitgever eventueel een tweede druk op de markt brengen. Dat is ook wat gebeurt met De tranen van de wolf en Gezocht Codebrekers. Er liggen vijf jaar tussen de oorspronkelijke uitgave De tranen van de wolf en de heruitgave Gezocht Codebrekers. Hammer heeft al of niet samen met Schulz of uitgeverij Elmar een beloning uitgeloofd bij de uitgave van het eerste boek, en de beloning wordt nog verhoogd ter gelegenheid van de heruitgave. Maar hoe zit het ondertussen met Schulz? De man heeft zelf jarenlang geprobeerd de code te ontcijferen, en staat in 2004 op het punt om er het bijltje bij neer te leggen. Hij weet dat er  goud van de Reichsbank tot de Nazi Schat behoort, maar heeft in al die jaren geen enkel boek over die toch wel zeer geruchtmakende zaak gelezen. Net zoals Hammer zelf leidt hij aan selectieve blindheid als het aankomt op namen als Mittenwald, Matthias, Edelweiss en Pfeiffer – die niet weg te denken zijn uit het verhaal van het goud van de Reichsbank. Vind je één aanknopingspunt, dan vind je automatisch ook een ander.
Hammer van zijn kant slaagt er wel degelijk in een doorbraak te forceren. In televisie interviews stelt hij het steeds zo voor dat hem alleen nog een ultiem puzzelstukje ontbreekt om het mysterie uit te klaren. Heeft Hammer rapport uitgebracht bij Schulz? Hoe reageerde die op de ontdekkingen van Hammer? Hij moet toch ook gezien hebben dat ze heel erg warm werden bij ‘Kein Wasser Kalt’? We komen het niet te weten. Schulz is als in rook opgelost.
Hammer laat uitschijnen dat zijn vijftienkoppig ‘team’ niet alleen een kopie van de partituur, maar ook het document zelf heeft onderzocht. Anders zou hij immers geen uitspraken kunnen doen over het papier of de doorslag van de letters. Waar is de originele partituur gebleven?
Is Hammer tot 2012 écht ‘ontelbare keren’ in de streek van Mittenwald geweest, zoals hij beweert in het interview dat in De Morgen werd afgedrukt? We komen te weten dat hij pas ‘afgelopen weekend’ ontdekte dat het woord ‘Stein’ verwijst ‘naar opgestapelde rotsstenen in deze streek. Bij sneeuw dienen ze als wegwijzers’.
Een onderzoeksjournalist die zijn thema, zijn publiek en zichzelf ernstig neemt, en die zijn speurtochten tussen 2007 en 2012 gewoon heeft voortgezet, zal in een heruitgave van zijn boek toch op zijn minst een ‘update’ opnemen? Sterker nog, als je aangeeft dat het om méér gaat dan een gewone herdruk door titel en ondertitel te veranderen, is dat wel het minste wat je kunt doen. Omdat men je anders zeer terecht zal beschuldigen van boerenbedrog, misleidende publiciteit, makkelijk scoren. Als je ter gelegenheid van de heruitgave de beloning verhoogt, maar je neemt in je boek geen enkele ondertussen ontdekte nieuwe informatie op, hoe geloofwaardig ben je dan nog? En opnieuw, wat vindt Schulz daar allemaal van?
‘Maar dat hebben we niet slim aangepakt destijds,’ zegt Hammer in het interview, afgenomen op 12-12-12, over De tranen van de wolf. ‘Er was nauwelijks publiciteit.’ – Na de publicatie van het boek, en na de belangrijke vorderingen die Hammer had geboekt, haakte Schulz af, ‘moe van de vergeefse speurtocht’.
Of omdat Schulz zijn doel had bereikt?
Omdat Schulz zelf, of iemand anders, de Nazi Schat had gevonden?
Werd de beloning daarom verhoogd? (We weten trouwens al wat er gebeurt als je de beloning claimt: dan blijkt ‘de actie’ ineens beëindigd – hoewel het bericht nog steeds op de website van uitgeverij Elmar staat te pronken.)
Wat moeten we denken van een personage dat ‘Schulz’ wordt genoemd, en van wie we alleen het woord van Hammer hebben dat hij deze man echt heeft ontmoet? Hammer geeft zijn personages, ook als ze echt geleefd zouden hebben, graag doorzichtig symbolische namen, zoals ‘Tom R.’ (= Mort). Pastoor Boudet gebruikte in La Vraie Langue Celtique een fonetisch codesysteem, dat Hammer bekend moet zijn geweest, want Satans Lied bevat nogal wat informatie hij uit het boek heeft dat Jos Bertaulet aan dit mysterie heeft gewijd ([5]).
 
‘Waarom komt u er nu mee naar buiten?’ vraagt journalist Bart Jungmann, doelend op de datum 12 december 2012, waarop volgens de kalender van de Maya’s een oud tijdperk zou worden afgesloten om een nieuw te beginnen (en volgens onheilsprofeten de wereld zou vergaan).
‘Is toch een mooie datum: 12-12-12?’ antwoordt Hammer. ‘We moeten lang wachten voor er weer zo’n datum komt. En ik kan mijn kaarten wel tegen de borst houden, maar het is zo’n bijzondere materie. Dat moet toch tot een goed eind worden gebracht?’
Wat voor een onzin is dit nu weer? Hammer komt hier helemaal niet mee naar buiten op 12 december 2012: in Gezocht Codebrekers staat niets méér dan er al stond in De tranen van de wolf uit 2007. De heruitgave kon op om het even welk moment opnieuw op de markt gebracht worden, met dezelfde ‘op het onderbuikgevoel van het publiek’ spelende barnum campagne. Maar om één of andere reden moét het 12-12-12 zijn. De beloning wordt verhoogd, www.codebrekers.nl wordt gelanceerd… en vervolgens na ongeveer een jaar bruusk gesloten. Hammer beweerde in die periode meermaals dat hij horendol werd van alle reacties naar hem persoonlijk, en hij verweet de schattenjagers dat ze de voorwaarden niet lazen of zich er niet aan hielden. Hij zou in de beginfase ook dreigementen ontvangen hebben, maar er gaan even goed geruchten als zou hij de site gesloten hebben vanwege dreigementen.
Hoe dan ook, Hammer verwijdert niet alleen de website en de Facebook-pagina van de Codebrekers, maar probeert ook zoveel mogelijk andere sporen te wissen.
Vond ‘Peter Schulz’ het ondertussen welletjes geweest?
Of was hij niet de zoektocht beu geworden, maar de spelletjes van Hammer?

‘Voelt het niet aan als een nederlaag?’ wil de journalist nog weten. Alsof Hammer met Gezocht Codebrekers een eerste keer een oproep zou doen aan het grote publiek om op schattenjacht te trekken.  
‘Een beetje wel, natuurlijk. Maar ik wil er van af en dat geldt helemaal voor mijn familieleden. Die zijn het zat om elke vakantie de Alpen in te trekken, inderdaad met een schepje. Ze willen een keer naar de Bahama’s.’
Mmm, ik hou ook wel van een staaltje humor waarvan je niet weet of je er nu om lachen moet, of om huilen.
Hete wolventranen.
Met tuiten.



Foto: Archief Ysa Pastora




[2] http://www.karlhammer.eu/about.html
[4] Muziek leidt naar Hitlers schat, Nederlander maakt kaart naar diamanten en goud van Derde Rijk publiek – De Morgen, 12/12/12, een interview afgenomen door Bart Jungmann.
[5] De verloren koning en de bronnen van de graallegende – Speurtocht in Notre Dame de Marceille, een geheim oord in de geschiedenis van Frankrijk – Jos Bertaulet, Stichting Mens en Kultuur, 1991.