donderdag 26 maart 2015

X Never, Ever Marks the Spot

Uit het Archief van Ysa Pastora: De Postkaart Code

Schatverhalen, voorzover ze verzonnen zijn, gebruiken altijd hetzelfde cliché, want dat verwacht het publiek nu eenmaal. In een spannend avonturenverhaal werkt zo’n cliché opperbest. Alleen heeft het helemaal niks met de werkelijkheid te maken. Of zoals Indiana Jones, tongue-in-cheeck, het ooit zo welsprekend uitdrukte: ‘We do not follow maps to buried treasure and X never, ever marks the spot.’ 
Er is geen enkele goeie reden te bedenken waarom je een afschuwelijk ingewikkelde code zou construeren om andere ingewijden of samenzweerders de bergplaats van een schat mee te delen. Waarom zou je je toevlucht nemen tot runentekens, muziekpartituren, hermetische gedichten en meer van dat soort romantische, raadselachtige puzzels… als je ook in een handomdraai een simpele en onbreekbare code kunt afspreken? Er bestaan tal van zeer effectieve, maar in wezen erg eenvoudige codesystemen, waarmee je perfect en in het grootste geheim met elkaar kunt communiceren ([1]):  je spreekt bijvoorbeeld een bepaalde editie van een boek af (Mein Kampf ligt in dit geval wat al te zeer voor de hand) en werkt dan met een cijfercode waarvan het Romeinse cijfer bijvoorbeeld verwijst naar de bladzijde, het Arabische cijfer naar de regel, en het woord ‘zeventien’ naar de zeventiende letter op die regel.
Als het Bormann, Schwarz en Co. louter te doen was om het meedelen van een bergplaats voor goud en diamanten, waarmee Werwolf gefinancierd kon worden, dan was dit eindeloos veel makkelijker, sneller, effectiever en veiliger geweest.
Zeg ik nu dat er geen schat te vinden is op de plek waar de gecodeerde partituur naar verwijst?
Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat het verhaal van Bormann, Schwarz en pastoor Otto, van Hammer en Schulz en Werwolf de toets van de historische kritiek niet weerstaat, maar ook niet die van het gezond boerenverstand. En als het ging om een gezamenlijk plan van Bormann en Schwarz, wat zouden zij dan met elkaar moeten communiceren in code over een bergplaats, die hen al veel eerder bekend moest geweest zijn. Waarom moest Bormann per sé nog vanuit Berlijn, langs pastoor Otto om, aan Schwarz laten weten waar het goud verstopt werd, waarover zij al een tijdje aan het samenzweren waren? Het goud dat nota bene niet door Bormann zelf verstopt was, maar wellicht door een afdeling van Werwolf, of hun medestanders? Die zullen toch ook wel geweten hebben waar ze het goud verstopten?
Er is al eerder en door diverse schattenjagers op gewezen dat de bergplaats van het goud van Werwolf of de diamanten van Hitler aan veel meer mensen bekend zal geweest zijn, dan alleen aan Bormann. Ook is het naïef te veronderstellen dat Bormann de waarheid en niets dan de waarheid zou vertellen aan iemand als ‘pastoor Otto’. Zoals het ook mogelijk is dat andere codes naar de bergplaats verwijzen. Waaruit volgt dat de inhoud van de bergplaats gewoon gebruikt kan zijn door Werwolf, niet om een guerilla te financieren (want dat bleek al gauw niet echt haalbaar), maar wel de nazi ontsnappingslijnen en de diverse neonazi bewegingen die reeds kort na de oorlog ontstonden. 
Volgens ‘wonderzoeker’ Leon Giesen ([2]) was het niet de bedoeling van de nazi’s dat de code ‘door een derde’ begrepen zou worden: ‘Hammer deed het goed, hij heeft het document precies gebruikt zoals een vreemde het moest gebruiken. Hij trapte er in.’ Volgens Giesen moet je het document ‘niet zozeer zien als een gecodeerde schatkaart die door puzzelen opgelost kan worden, maar meer als een versleutelde memo. De gebruiker wist al ongeveer, of misschien precies waar het lag. Hij moest het vooral niet vergeten.’
Maar, eerlijk gezegd, ook in dat geval ben je veel effectiever af met een eenvoudige code. ‘Een geheime boodschap of code maken is nog niet zo gemakkelijk,’ zegt Giesen. ‘En deze is echt listig.’ – Dat is allemaal zeer waar, maar het geldt alleen voor een treasure hunt die je organiseert bij wijze van spel, of voor fictieve schattenjachten die het moeten hebben van een ferme dosis suspense, genre The Gold Bug van Edgar Allan Poe. In het échte leven ga je geen ‘echt listige’ ingewikkelde geheime codes bedenken; je noteert gewoon ergens een cijfercode gebaseerd op een boek. ‘Het is een beetje zoals je voor jezelf je pincode opschrijft om hem niet te vergeten. Jij snapt hem. Iemand aan wie je het uitlegt snapt het ook. Maar een vreemdeling niet.’ – Dat kan allemaal best wezen, maar waarom zou ik, om mijn pincode niet te vergeten, een ingewikkelde, versleutelde ‘memo’ gaan bedenken?

Op pagina 177 van Codebrekers is Hammer – eindelijk! – terecht gekomen op de website van de National Archives (NARA) in Washington:

In het verslag Searching for Records Relating to Nazi Gold stond dat SS-majoor Kurt Haller von Hallerstein destijds bekende dat hij bijna een miljoen aan waardepapieren en juwelen had begraven nabij Garmisch in Duitsland. Op 25 mei 1945 werd onder toezicht van de Amerikanen zijn buit opgegraven. Daaruit bleek dat het verstoppen van buit inderdaad gebeurde. Verder ging het verslag in op het feit dat de Amerikanen die door Duitsland denderden in de eerste week van april 1945 van de lokale bevolking in het plaatsje Merkers te horen kregen dat de nazi’s een grote schat in de buurt hadden begraven. Toen men een nabijgelegen zoutmijn inspecteerde, vond men goudstaven, zakken met gouden munten, buitenlandse valuta, kunstwerken en andere waardevolle voorwerpen. Dit was ongetwijfeld de lading uit de Reichsbank waar Otto over hoorde tijdens zijn gesprek met Bormann en Schwarz in de sauna. De tegenwoordige waarde van die vondst wordt geschat op 2,5 miljard dollar.

Waarna hij snel weer andere wegen bewandelt, want het wordt warm… en over gouden tandvullingen van joodse slachtoffers begint, lampenkappen uit mensenhuid, de Holocaust en zijn ontkenners. Waarmee we op pagina 192 in (het laatste) Deel 5 van Codebrekers beland zijn, getiteld Kamer zes, dat start met een uitgebreide beschrijving van de gecodeerde partituur, even inzoomt op ‘de taal van de runentekens’, en dan via de letter M, op pagina 209 (het boek telt 240 pagina’s) eindelijk belandt waar hij al 200 pagina’s eerder had kunnen landen, namelijk in Mittenwald. Want inderdaad, had onderzoeksjournalist Karl Hammer ook maar enig onderzoek verricht, dan zou hij daar al meteen na zijn eerste gesprek met Schulz, zoals weergegeven op pagina 9, zijn neergestreken:

Schulz keek mij een moment indringend aan. ‘Die diamanten liggen sinds het eind van de oorlog samen met honderden staven goud van de Reichsbank nog altijd ergens verborgen.’

In het standaardwerk Nazi Gold, van Ian Sayer en Douglas Botting, ‘het sensationele verhaal over de grootste roof ter wereld’, die van het nazi goud uit de Reichsbank, is het plaatsje Mittenwald in Beieren, samen met Garmisch-Partenkirchen, een draaischijf van het hele gebeuren.
En zo ondergraaft Karl Hammer dan nogmaals, en tamelijk finaal, zijn eigen scenario en zijn eigen geloofwaardigheid als schrijver en onderzoeksjournalist. Immers, als het goud afkomstig is van twee zendingen uit de Reichsbank, of van een zo mogelijk nog mysterieuzer derde (over München en Bad Tölz) en vierde transport (uit Berchtesgaden), dan wisten alleen ene kolonel Pfeiffer, of Weerwolven ter plaatse, of nog nader te identificeren mysterieuze personen maar al te goed waar ze al die schatten verstopt hadden… en dan wist Bormann waarschijnlijk helemaal nergens van. Een beetje onderzoeksjournalist zou na zijn eerste ontmoeting met de geheimzinnige contactpersoon Peter Schulz al meteen wat gaan surfen zijn op het web, en bij voor de hand liggende zoekwoorden als ‘nazi’, ‘gold’ en ‘Reichsbank’ ongetwijfeld op het boek van Sayer en Botting gestoten zijn. En die zou er bijgevolg geen 200 pagina’s en een verdomd lange tijd over gedaan hebben om poolshoogte te gaan nemen in Mittenwald.
Tenzij die hele ‘Peter Schulz’ van Hammer natuurlijk een fictie is. Als hij dat niet is, moet men zich weer afvragen hoe het komt dat een man die zo gedetailleerd weet te vertellen over tal van onderwerpen, gerelateerd aan Bormann, Schwarz, pastoor Otto, het persoonlijke fortuin van Hitler, Werwolf, de Reichsbank en het verdwenen nazi goud, het boek van Sayer en Botting niet kent, of daar althans met geen woord over rept tegen zijn gesprekspartner.
Er bestaat natuurlijk ook nog een derde mogelijkheid: dat Hammer een loopje neemt met de waarheid, als het aankomt op de ware toedracht van zijn gesprekken met ene ‘Peter Schulz’, en de inhoud daarvan.


Uit het Archief van Ysa Pastora:
eDelweiss über Schwar(zwald?) (51 0)



PS:



donderdag 19 maart 2015

Bormann's Brief?



Deel 3 van Gezocht Codebrekers is getiteld Berlijn in de bunker en beslaat ruim 50 pagina’s. Daarvan zijn er amper 2 (twee) gewijd aan hét Dramatisch Hoogtepunt van dit boek: het moment waarop pastoor Otto van Bormann de gecodeerde partituur toegestopt krijgt:

Bormann draaide de envelop ongedurig rond. Zonder in details te treden antwoordde hij dat de situatie nog erger was geworden. Hij zuchtte diep en legde de envelop op tafel. De oorlog was verloren en voor de komende dagen stond er een uitbraakpoging gepland om aan de Russen te ontsnappen. Bormann en Fegelein zouden met verschillende groepen vertrekken en omdat de secretaris de enige was die de locatie van het goud voor Werwolf kende, had hij deze toevertrouwd aan de SS-chef.  (…)
Zonder verdere omhaal kreeg Otto te horen dat hij een gecodeerde brief naar Schwarz in München moest brengen waarop de locatie voor Werwolf stond. Het document was te gecompliceerd om via een radiobericht te sturen. Bij de eerste oogopslag herkende Schwarz welke code was gebruikt, dus Otto hoefde niets uit te leggen. De secretaris wilde dat de pastoor onmiddellijk vertrok. Hij was een burger en werd niet gezocht door de Russen die nog ver genoeg weg waren. Otto had moeite om de situatie te bevatten. Als Bormann een uitbraakpoging ondernam, deed Hitler dan hetzelfde? De secretaris schudde het hoofd. De Führer was vast van plan om zich aan zijn woord te houden dat hij in Berlijn zou overwinnen of sterven. Overwinnen was uitgesloten. Bormann bleef tot het laatste moment bij Hitler en zou pas daarna proberen te ontsnappen omdat hij een aantal belangrijke opdrachten had gekregen. Als hij het niet redde, dan had Schwarz via Otto in ieder geval de benodigde middelen om Werwolf te herorganiseren.
Bormann maakte de envelop open en haalde er enkele muziekpartituren uit. Op een van de pagina’s stonden verschillende krabbeltjes, een tekst en enkele runentekens. De runentekens baarden Otto zorgen want als hij aangehouden werd zouden de Russen alleen al daaruit kunnen opmaken dat het een arisch document was. Bormann stelde hem gerust. Russische soldaten konden amper of niet lezen en de runentekens leken enigszins op hun eigen cyrillische schrift. Zeker tussen de muziekstukken met noten, vioolsleutels en andere symbolen, zou het niet opvallen.
Bondig zette hij de rest van zijn plan uiteen. Otto moest in de komende uren vertrekken naar Stahnsdorf, een dorp ten zuidwesten van Berlijn. In het dorp moest hij doen alsof hij een vluchteling was en een week lang iedere middag rond twaalf uur wachten bij de kapel van de begraafplaats ‘Südwestkirchhof’. Als Bormann er op de zevende dag nog niet was, moest Otto aannemen dat hij het niet had gehaald (…).
Daarop vulde Bormann zijn relaas aan met een onverwacht detail. Op het moment dat de Führer definitief naar Berlijn kwam en zijn intrek in de bunker nam, waren enkele persoonlijke bezittingen vanuit zijn huis op de Obersalzberg overgebracht naar geheime locaties. Daaronder bevond zich ook een collectie diamanten die was toegevoegd aan het goud van Werwolf. Bormann had zich hier eerst nog tegen verzet omdat de stenen een grote emotionele waarde hadden.

De versie die Hammer geeft van ‘de feiten’ – zoals ze hem, naar eigen zeggen, werd overgeleverd door Peter Schulz – spoort niet echt met het politieke testament, noch met de persoonlijke wilsbeschikking van Hitler. Zijn politiek testament besluit hij strijdvaardig met een opdracht aan ‘de leiders van de natie en zij die onder hen staan’ om de ‘rassenwetten onbeperkt te handhaven en zich zonder scrupules te verzetten tegen dat universele gif van alle volkeren, het internationale jodendom’. Hitler gaat er met andere woorden vanuit dat er nog zoiets als een natie zal bestaan, zij het dan met een andere (nazi-)leider. Hij denkt in het geheel niet aan een clandestiene verzetsorganisatie als Werwolf. In zijn persoonlijke wilsbeschikking laat hij al zijn bezittingen uitdrukkelijk na aan de partij, mocht die niet meer bestaan aan de staat, en mocht de staat niet meer bestaan, dan hoeft hij niets meer te beslissen… ook niet dat zijn persoonlijke fortuin naar Werwolf zou gaan.
Het relaas van Schulz/Hammer wijkt eveneens af van wat de historici over de laatste paar dagen van Hitler en Bormann vertellen – verslagen die gebaseerd zijn op het relaas van diverse ooggetuigen. John Toland bijvoorbeeld, in Adolf Hitler, het einde van een mythe (A.W. Bruna & Zoon, 1976), schrijft dat Marin Bormann op 29 april voorbereidingen trof om Hitlers testament en zijn persoonlijke wilsbeschikking in handen te krijgen van de opvolger van de Führer, admiraal Dönitz: ‘Om levering zeker te stellen besloot Bormann er twee afzonderlijke boodschappers op af te sturen: zijn eigen persoonlijke adviseur en Heinz Lorenz.’
En hij gaat verder:
Tijdens de laatste vergadering van die dag vertelde generaal Weidling over de bittere, hopeloze gevechten in de straten. (…) Goebbels beschuldigde Weidling met scherpe stem van defaitisme; weer ontstond er een woordentwist. Bormann moest ze tot kalmte brengen zodat Weidling verder kon gaan met zijn verslag.
(…)
Na middernacht nam Hitler in de hoofdeetzaal afscheid van een groep van twintig officieren en secretaressen. Zijn ogen waren vochtig; op Frau Junge maakte hij een afwezige indruk. Hij liep de rij langs om handen te schudden en liep toen de wenteltrap af naar zijn eigen verblijven.
Overal in de bunker vielen de barrières weg en raakten hooggeplaatste officieren in vertrouwelijke gesprekken gewikkeld met hun minderen. In de kantine, waar de soldaten en ordonnansen aten, begonnen ze spontaan te dansen. Het werd zo’n luidruchtige toestand dat een boodschapper van Bormann hen kwam waarschuwen het wat rustiger aan te doen. Bormann probeerde zich te concentreren op een telegram dat hij Dönitz aan het schrijven was. Daarin beklaagde hij er zich over dat alle binnenkomende berichten ‘gecontroleerd, onderdrukt of verdraaid’ werden door Keitel en beval Dönitz ‘onmiddellijk en meedogenloos op te treden tegen alle verraders’.

Op 30 april, na de lunch, riep Hitler zijn twee secretaressen en de kokkin, Bormann, het echtpaar Goebbels en verschillende anderen bij zich: ‘Hitler nam Günsche terzijde en zei hem dat hij en zijn vrouw zelfmoord zouden plegen. Hij wilde dat hun lichamen verbrand zouden worden.’ Om ongeveer half vier pakte Hitler zijn Walther pistool, zette de loop tegen zijn rechterslaap en haalde de trekker over. Eva Braun had toen al vergif genomen. ‘Goebbels, Bormann, Axmann en Günsche waren in de vergaderkamer; ze aarzelden even toen ze het schot hoorden en stormden toen Hitlers antichambre binnen, met Goebbels op kop.’
Schulz/Hammer dateert de scène tussen pastoor Otto en Bormann niet. Die kan echter alleen plaatsgevonden hebben nadat Hitler zijn testamenten had gemaakt op 29 april, en voor zijn zelfmoord op 30 april om half vier. Tenzij we ervan uitgaan dat de ‘trouwste partijgenoot’ op eigen houtje de persoonlijke bezittingen van zijn Führer toevoegde aan de geheime fondsen van Werwolf, of dat hij tegen de persoonlijke wilsbeschikking van Hitler in handelde. Komt daarbij dat onderwerpen als de financiering van Werwolf, het goud en de diamanten van Hitler, of de aanwezigheid van ene aalmoezenier Otto in geen enkele van de vele ooggetuigenverslagen van die laatste dagen aan bod komen. We kunnen het doen en laten van Bormann op 29 en 30 april bijna van uur tot uur volgen, maar een scène zoals Schulz/Hammer die beschrijft, vinden we alleen terug op deze twee pagina’s van Gezocht Codebrekers.
Verscheidene onderzoekers hebben erop gewezen dat het verhaal van Hammer-Schulz over de combine Bormann-Schwarz-Otto indruist tegen een groot aantal historische feiten. Op 25 april waren Hitler en Bormann nog steeds van plan om vroeg of laat terug te keren naar de Obersalzberg bij Berchtesgaden: daar waren op dat moment nog voorbereidingen aan de gang om dat mogelijk te maken, zoals blijkt uit een bericht van de ‘zaakwaarnemer’ van Bormann en Hitler in Berchtesgaden, Helmut von Hummel. De meeste spullen van Hitler met een grote – ook persoonlijke – waarde werden veilig bewaard in de Berghof; slechts een klein deel was in Berlijn.
Pieter Marinus signaleerde al dat Albert Bormann, de adjudant van Hitler én de jongere broer van Martin, door de Führer tussen 20 en 23 april werd weggestuurd uit Berlijn, samen met onder meer zijn andere adjudant Julius Schaub, en admiraal Karl-Jesko von Puttkamer. Albert Bormann werd naar de Obersalzberg gezonden om Hitlers zaakjes daar in orde te brengen, Puttkamer om papieren en persoonlijke spullen te vernietigen. Schaub vloog naar München en deed hetzelfde in het privé appartement van de Führer aan de Prinzregentenplatz, om zich daarna eveneens naar de Berghof te begeven. Op 27 april trok hij alweer naar Zell am See en Mallnitz, waar hij Hitlers persoonlijke trein, de Führerzug, vernietigde.
Op 25 april werd de Obersalzberg zwaar gebombardeerd, en dat zal wellicht nogal wat plannen in de war gestuurd hebben. De geallieerden kwamen eraan, Schaub wilde schilderijen verbranden – maar uiteindelijk werden ze verdeeld onder de vrienden van de Führer. Von Hummel haalde bankrekeningen leeg en drukte meer dan 2000 gouden munten achterover. En Albert Bormann? Hij dook onder, nam de naam Roth aan, ging aan het werk op een boerderij en werd daar pas in april 1949 gevonden en gearresteerd (om al in oktober van hetzelfde jaar weer vrijgelaten te worden).
Dàt zijn gedocumenteerde feiten. Het relaas dat Schulz ophangt en dat Hammer navertelt, wordt op geen enkel punt door een enkel bewijsstuk gedocumenteerd.
Uiteraard is Werwolf geen legende. Maar de manier waarop Werwolf door Schulz en Hammer wordt aangekaart, strookt al evenmin met feitelijke, gedocumenteerde gegevens. Het idee dat er na de nederlaag van Duitsland een ondergronds verzet moest georganiseerd worden, of een guerilla-oorlog, lag tot het bittere eind heel moeilijk bij Adolf Hitler en nogal wat andere nazi leiders, onder wie Martin Bormann. Wie nog maar durfde te suggereren dat Duitsland best wel eens de oorlog kon verliezen, eindigde binnen de kortste keren aan een lantaarnpaal, met zijn hoofd in een strop en een bordje om de hals: ‘Defaitist – Verrader!’ Dit maakt het nog ongeloofwaardiger dat Bormann in het diepste geheim met Schwarz overlegd zou hebben over een financiering van een dergelijk netwerk na een mogelijke nederlaag van Duitsland, dat Hitler eerder al zijn diamanten ‘met grote emotionele waarde’ via Bormann aan Werwolf zou hebben nagelaten, of dat Bormann en Schwarz in hun plannen een volstrekte buitenstaander als pastoor Otto zouden betrokken hebben.
Ik kom hier later nog uitgebreid op terug. 



donderdag 12 maart 2015

Het testament van Hitler



Het valt op hoeveel niet terzake doende informatie Hammer geeft over tal van onderwerpen in De tranen van de wolf/Gezocht Codebrekers, terwijl hij met geen woord rept over het soort informatie dat er wél toe doet. In 1986 al publiceerde Wulf Schwarzwäller onder de titel De miljoenen van Hitler bij De Kern een ‘onthullende geschiedenis van het fortuin dat Hitler wist te vergaren. Waar kwam het vandaan? Waar is het gebleven?’ In de eerste 100 pagina’s van Hammers ‘true crime’ kom je beduidend minder te weten over het onderwerp van zijn boek dan op 10 pagina’s Schwarzwäller.

(Klik op de foto's voor een groter beeld.)



In de vroege ochtenduren van 29 april 1945, kort nadat hij met Eva Braun was getrouwd, dicteerde en ondertekende Hitler in de bunker onder de Berlijnse rijkskanselarij zijn persoonlijke wilsbeschikking ([1]):

Wat ik bezit, behoort – voorzover het althans waarde heeft – aan de partij. Zou deze niet meer bestaan, dan de staat. Zou ook de staat vernietigd worden, dan is een verdere beslissing van mij niet meer nodig.
Ik heb mijn schilderijen in de door mij in de loop der jaren aangekochte collecties nooit voor particuliere doeleinden verzameld, maar steeds alleen voor de uitbreiding van een galerie in mijn thuisstad Linz aan de Donau. Dat deze wilsbeschikking wordt uitgevoerd, is mijn vurigste wens. Tot executeur-testamentair benoem ik mijn trouwste partijgenoot, Martin Bormann. Hij heeft het recht om alle beslissingen definitief en rechtsgeldig te nemen. Het is hem toegestaan om al hetgeen persoonlijke waarde als herinnering bezit, of voor het voeren van een bescheiden burgerleven noodzakelijk is, apart te houden voor mijn broers en zusters, evenals voor de moeder van mijn vrouw, en mijn hem nauwkeurig bekende trouwe medewerkers en medewerksters, bovenal mijn oude secretarissen, secretaresses, mevrouw Winter enzovoorts, die mij jarenlang door hun werk gesteund hebben.
Ikzelf en mijn echtgenote kiezen, om de schande van afzetting of capitulatie te ontgaan, de dood. Het is onze wil dadelijk verbrand te worden op de plaats waar ik het grootste deel van mijn dagelijks werk in de loop van een twaalfjarige dienst aan mijn volk heb bewezen.




Executeur-testamentair Martin Bormann is hoogstwaarschijnlijk omgekomen toen hij met een kopie van het testament op zak door de Russische omsingeling van de rijkskanselarij probeerde te breken. En, zo gaat Schwarzwäller verder:

Hitlers multimiljoenen bestaan niet meer. Zijn vermogen dat hij de partij had nagelaten, werd evenzeer in beslag genomen als zijn kunstschatten die in het Huis van de Führer in München en in de zoutmijnen van Alt Aussee relatief intact werden teruggevonden. Voorzover ze niet aan de oorspronkelijke eigenaars werden teruggegeven, stonden ze tot 1951 onder trustbeheer van de Amerikaanse bezettingsautoriteiten. Sedertdien worden alle vermogensbestanddelen beheerd door de deelstaat, de ‘vrijstaat’ Beieren. Voor zijn bezit in Oostenrijk ligt de beslissingsbevoegdheid in handen van de Oostenrijkse regering.
Het reusachtig terrein op de Obersalzberg wordt eveneens beheerd door de deelstaat Beieren. Vrijwel alles is intussen met de grond gelijk gemaakt. Van Hitlers ‘Berghof’ zijn alleen de omtrekken en het fundament nog zichtbaar. (…)
Ook de circa 7 miljoen Mark aan royalty’s van Mein Kampf die in 1945 nog op de rekening van de uitgeverij-Eher voor Hitler gereed lagen, werden als Nazivermogen in beslag genomen. Het land Beieren eist ook voor de toekomst de auteursrechten van Hitlers geschriften en toespraken voor zich op. Dat wordt echter betwist door Hitlers erfgenamen en hun executeur-testamentair, de historicus prof. Werner Maser. De twist om het auteursrecht is nog niet beslecht. Alleen het Instituut voor Nieuwe Geschiedenis in Stuttgart heeft tot nog toe het auteursrecht van de erfgenamen gedeeltelijk erkend. Bij de uitgave van een beperkte oplage van Hitlers Tweede Boek in 1961 kregen de erfgenamen een bedrag van 3000 DM.
Wie zijn de erfgenamen? Wie zal ooit op de overblijfselen van Hitlers privévermogen aanspraak kunnen maken?
Om iets te kunnen erven moet de erflater om te beginnen officieel overleden zijn verklaard. Hitler stierf op 30 april 1945 kort voor half vier ’s morgens op de leeftijd van 56 jaar, samen met zijn echtgenote Eva, die 33 is geworden.
Dood verklaard werd hij pas elf jaar nadien, op 25 oktober 1956. (…) Op 17 februari 1960 gaf het kantongerecht van München onder nummer 2994/48 een verklaring van erfrecht af ‘in verband met de erfopvolging van Adolf Hitler’ – ‘volgens de op 30.4.1945 in Berlijn overleden rijkskanselier Adolf Hitler op grond van testament na het ontvallen van de vorige erfgename, de NSDAP, voor Paula Hitler.’
Zij zou tweederde deel van het bezit erven. Elk zesde deel zou gaan naar halfbroer, en halfzuster, Alois Hitler, en Angela Hammitsch, weduwe van Raubal, geboren Hitler. Doch beiden waren al overleden. En Paula Hitler overleed op 1 juni 1960 zonder haar erfenis aanvaard te hebben. Op 25 oktober 1960 besliste het kantongerecht van Berchtesgaden (…): ‘Erfgenamen van de op 1 juni 1960 in Schönau overleden Paula Hitler zijn de broer-en-zuster-kinderen Elfriede Hochegger, geboren Raubal, en Leo Raubal, ieder voor de helft.’
Erfgenamen die nog niets hebben geërfd. En het is de vraag of ze er ooit iets van zullen erven. Hitler zelf heeft een precedent voor zijn onteigening gesteld, door voor het eerst in de civilisatiehistorie mensen brutaal en radicaal tot op hun laatste cent te onteigenen – mensen die hem niets anders hadden gedaan dan van een andere religie, een ander ‘ras’ te zijn. Vanuit dit oogpunt zou zijn eigen onteigening in orde moeten zijn.

De laatste dagen van de Führer zijn door diverse ooggetuigen en historici bijzonder gedetailleerd, haast van minuut tot minuut, beschreven. Aangezien de Führer op 29 april 1945 Martin Bormann bij testament heeft aangeduid als executeur-testamentair, is het moeilijk te geloven dat Bormann geheel op eigen houtje en naar eigen inzichten een bestemming heeft bedacht voor ‘het goud en de diamanten van Hitler’. Zoals het ook moeilijk te geloven valt, dat Hitler in zijn testament met geen woord rept over Werwolf, maar wel de partij vermeldt, waaraan hij al zijn bezittingen nalaat. Zowel Hitler als Bormann waren trouwens geen grote liefhebbers van het hele Werwolf-idee, omdat het een nederlaag van het Derde Rijk impliceerde, en dit onderwerp tot op het allerlaatste moment taboe was, of gelijk stond met een executie wegens 'defaitisme'.
De facsimilés van de huwelijksacte, het privé testament en het politiek testament van Hitler werden gepubliceerd door de Eisenhower Archives ([2]) en kunnen makkelijk geraadpleegd worden. Je hoeft er heus geen onderzoeksjournalist voor te zijn. Het zou even geduurd hebben, voordat Adolf Hitler en Eva Braun ertoe besloten gezamenlijk zelfmoord te plegen. Na de huwelijksvoltrekking schijnt Hitler nog geregeld te hebben dat Eva na zijn dood een jaarlijkse toelage zou krijgen. Maar uiteindelijk heeft zij vrijwillig voor de dood gekozen, als een Walküre, zoals de nagelaten geschriften ons willen doen geloven.



donderdag 5 maart 2015

Donderse Cursieve M, en o... Oh: Geen Nul!

In één van zijn vorige levens had Karl Hammer een puur commercieel mediabedrijf, dat hij vernoemde naar een puur spirituele vroegchristelijke secte: Ebion. Zoals Patrick Bernauw reeds jaren geleden op zijn site signaleerde, had dit 'agentschap' als doel: het verzamelen van concepten, formats en verhaalideeën voor film- en televisieprogramma's, het opslaan van dit materiaal in 'een veilige database', en vervolgens het promoten en produceren van dit materiaal. Blijkbaar werden er ook al eens ideeën van derden door dit agentschap gecommercialiseerd, zonder goedkeuring van deze derden, zoals mag blijken uit Satans Lied - zijnde: de grootste kunstroof van de eeuw.



De tranen van de wolf - later herdoopt tot Gezocht Codebrekers - werd geheel in de materieel onthechte Ebion-stijl met een barnum-reclame in de markt gezet, o.a. op een website die ondertussen door Karl Hammer werd gewist, maar waarvan de tekst toch her en der bewaard is gebleven: 


Terwijl de Russen in april 1945 bloedig hun weg vochten door Berlijn, brachten de nazi's snel een lading goud en de persoonlijke diamanten van Hitler naar een geheime locatie. Het was de bedoeling om hiermee de terreurgroep Werwolf te financieren. Tijdens de laatste uren van de strijd gaf Hitlers secretaris Martin Bormann een gecodeerd document met runentekens aan een aalmoezenier om het naar partijboekhouder Schwarz in München te brengen. Op het document zou de locatie staan beschreven van het goud en de diamanten. Schwarz was echter al door de geallieerden gearresteerd en Bormann overleefde de Russische aanval niet.

Authentiek document.
Ruim zestig jaar later kwam het document bij toeval in handen van onderzoeksjournalist Karl Hammer Kaatee. Het had zich al die tijd onopgemerkt in de nalatenschap van de aalmoezenier bevonden. Hammer-Kaatee is er van overtuigd dat het authentiek is. ‘Ik heb er alle begrip voor dat sommige mensen twijfels hebben, maar mijn onderzoek toonde aan dat het papier, de typografie en de doorslag van de letters zonder meer geloofwaardig zijn. Bovendien komen de runentekens overeen met de stijl die Bormann zou gebruiken.’ Voor Hammer-Kaatee restte alleen nog de vraag hoe de code in elkaar zat en of de buit nog terug te vinden zou zijn.
Naar de huidige waarde van het goud en de diamanten kan men volgens Hammer-Kaatee slechts gissen. Dat het om een gigantisch bedrag moet gaan staat voor hem vast. ‘Hitler had de mooiste en beste diamanten in zijn bezit. Volgens mijn informatie stonden die bij zijn intimi bekend als “de tranen van de wolf” en zijn op zich al een vermogen waard.’

NIOD - Gerard Aalders.
Dat de buit nog altijd ergens op ontdekking ligt te wachten is zeer waarschijnlijk volgens historicus Gerard Aalders van het NIOD die door Hammer Kaatee werd benaderd. Samen concludeerden zij dat er immers nog altijd schatten van de nazi's worden gevonden, zoals de grote kunstbuit die in 2006 in Zwitserland werd opgespoord waar ze door de nazi's was verstopt.

Beloning.
Een jaar lang beet Hammer-Kaatee zich vast in de code en hoewel hij het grootste deel wist te ontcijferen, lukte het hem niet om de bergplaats te vinden. Speurend in Duitsland raakte hij er van overtuigd dat hij iets over het hoofd zag. Vanwege contractuele verplichtingen voor een nieuw boekproject dat in februari van start gaat ontbreekt hem de tijd om zijn zoektocht voort te zetten. Daarom looft hij nu een beloning uit om het laatste deel van het raadsel op te lossen. Om de speurders op weg te helpen heeft hij uitgeverij Elmar bereid gevonden om zijn dossier in boekvorm te publiceren. ‘In 2006 wist een groep amateurs op initiatief van de violist Stefan Krah een code uit de Tweede Wereldoorlog te breken waar zelfs de beste cryptografen niet in slaagden. Ik hoop dat het zelfde ook mogelijk is met deze code,’ aldus Hammer-Kaatee.

Premievoorwaarden
Aan de uitkering van de beloning worden voorwaarden gesteld waar in hun geheel aan moet worden voldaan.
# Er wordt alleen uitgekeerd wanneer het goud en de diamanten daadwerkelijk en tastbaar getoond worden. Karl Hammer Kaatee zal op geen enkel moment genoodzaakt zijn om zelf handelingen te verrichten of reizen te ondernemen tot het bezichtigen van het goud of de diamanten.
# De echtheid van het goud en de diamanten dient door een onafhankelijke expert te worden bevestigd.
# Karl Hammer Kaatee wil op geen enkele wijze betrokken zijn bij mogelijke (internationaal) criminele of moreel laakbare handelingen. Het verkrijgen van het goud en de diamanten dient derhalve hiermee in overeenstemming te zijn.
# De uitleg van de gehele code van de 'pastoorbrief' uit het boek ‘De tranen van de wolf’ moet rationeel en begrijpbaar zijn, zodat deze uitleg onderbouwt wat de feitelijke bergplaats van het goud en de diamanten is geweest en waar dus het goud en de diamanten nu zijn gevonden.
# Karl Hammer Kaatee legt geen enkele claim op het gevonden goud of de diamanten.
# De vinder(s) van het goud en de diamanten gaan er evenwel mee akkoord dat hun verhaal over het ontcijferen van de code en het verkrijgen van het goud en de diamanten exclusief aan Karl Hammer Kaatee wordt meegedeeld en dat hij het exclusieve recht heeft om op basis van dit verhaal een vervolg te publiceren op zijn boek "De tranen van de wolf".
# Karl Hammer Kaatee legt geen enkele claim op het gevonden goud of de diamanten.
# De vinder(s) van het goud en de diamanten gaan er evenwel mee akkoord dat hun verhaal over het ontcijferen van de code en het verkrijgen van het goud en de diamanten exclusief aan Karl Hammer Kaatee wordt meegedeeld en dat hij het exclusieve recht heeft om op basis van dit verhaal een vervolg te publiceren op zijn boek "de tranen van de wolf".





Volgens uitgeverij Elmar is deze actie ten einde en het voorstel ingetrokken, hoewel er op de webpagina van Gezocht Codebrekers  nog volop publiciteit wordt gemaakt met de verhoogde beloning van $25.000. Merkwaardig vind ik de nadrukkelijkheid waarmee Hammer insisteert op het ‘daadwerkelijk’ en ‘tastbaar’ tonen van ‘het goud en de diamanten’, waarvan de ‘echtheid’ door een onafhankelijk expert dient te worden bevestigd. Wat als de code niet verwijst naar het goud en de diamanten van Hitler, maar naar een lading zilver en/of al dan niet ontaarde kunst die Göring achterover geslagen heeft? Wat als code verwijst naar een partij uranium ([1])?
Zolang Hammer geen spat bewijs levert van het bestaan van een ‘Peter Schulz’ of een ‘pastoor Otto’, ontbreekt ook elk begin van bewijs dat de gecodeerde partituur afkomstig is van Martin Bormann, en dat ze te maken zou hebben met het goud en de diamanten van Hitler. Het is niet meer dan een hypothese, die deel uitmaakt van een verhaal waarvan op geen enkel moment bewezen wordt dat het ‘waargebeurd’ is.
Ook voor de authenticiteit van de gecodeerde partituur moeten we het stellen met het woord van Hammer. ‘Zijn onderzoek' heeft aangetoond ‘dat het papier, de typografie en de doorslag van de letters zonder meer geloofwaardig zijn’. Met alle respect, maar als Hammer de ‘echtheid’ van het goud en de diamanten bevestigd wil zien door een ‘onafhankelijk expert,’ dan wil ik dat de echtheid van de partituur door eenzelfde onafhankelijk expert wordt vastgesteld, door middel van een gedegen wetenschappelijke analyse.
Hammer schermt met een ‘team van 15 deskundigen’, die hij geraadpleegd zou hebben met betrekking tot de authenticiteit van het document. Maar van geen enkele ‘deskundige’ wordt de naam genoemd. Hij schuift voortdurend en alleen Gerard Aalders ([2]) naar voor, maar wie de verklaring van Aalders goed leest, zal merken dat deze deskundige alleen concludeert dat ‘de nazi-schatten’ wellicht ‘nog altijd onaangeroerd op ontdekking liggen te wachten’. En dat er ondertussen al behoorlijk wat zijn ontdekt, zoals ‘de grote kunstbuit die in 2006 in Zwitserland werd opgespoord’.
Wat heeft het team van deskundigen zoal gerapporteerd aan Karl Hammer? Waarom heeft hij hun rapporten niet openbaar gemaakt? Of opgenomen in zijn boek? Nietszeggende foto’s en documenten zijn overvloedig te vinden in Gezocht Codebrekers, maar deze cruciale bewijsstukken niet.
In een boek dat pretendeert het product te zijn van onderzoeksjournalistiek verwacht ik al op de eerste bladzijden een degelijke analyse te vinden over papiersoort en schrijfmachine waarmee het kwestieuze document kan zijn vervaardigd, zodat er tenminste een poging kan ondernomen worden om het te dateren. Dàt is nu eenmaal wat een onderzoeksjournalistiek doet: de bevindingen van zijn onderzoek meedelen aan zijn publiek. Maar op dat punt laat Hammer zijn lezers en de schattenjagers volstrekt in de kou staan. ‘Zoek het zelf maar uit, jongens!’
Hoewel zij niet kunnen beschikken over het document in kwestie, hebben een aantal onderzoekers toch pogingen gewaagd om het te dateren. Huub Kampen komt op de Facebook pagina Codebrekers The Return ([3]) tot de conclusie dat de getypte tekst op de partituur niet door een Duitse schrijfmachine van pak weg 1942 gemaakt kan zijn, maar door een machine van 1960. Hij leidt één en ander af uit de return toets die al dan niet een afwijking vertoont. Op mijn eigen Facebook Community pagina ([4]) licht hij zijn stelling nader toe. Hij stelt vast dat er ‘geen goede scan van de achterzijde getoond’ werd, en dat na vele testen met schrijfmachines en partituren van diverse fabricagejaren bleek dat de code wellicht rond 1960 werd gemaakt. Een en ander kon afgeleid worden uit de houtvezels die in papiersoorten van een bepaalde jaargang werden gebruikt, en waardoor er een meer of minder sterke doordruk ontstaat. Martijn Lagerwerf komt op zijn site ([5]) dan weer tot de vaststelling dat de letters e en s van de machine waarop, in de Berlijnse bunker, de huwelijksovereenkomst van Adolf Hitler en Eva Braun werd getypt, iets verbogen zijn. Net als bij de ‘Pastoorsbrief’ steken ze net onder de regel uit. Maar de ‘a’ van de ‘Pastoorsbrief’ wijkt dan weer naar boven af, en dat is bij de huwelijksovereenkomst niet het geval.




Ik heb een schrijfmachine gevonden die mogelijk werd gebruikt: een Continental van de firma Wanderer-Werke te Chemnitz. Het toetsenbord heeft de cursieve M boven het cijfer 3 ([6]) en ook het cijfer 0 ontbreekt, waardoor men voor dat getal op de partituur de kleine letter o of de hoofdletter O moest gebruiken. Een draagbare schrijfmachine van de firma Rheinmetall, met dank aan 'informant Pieter', voldoet ook aan die eigenschappen:


Rheinmetall-Schreibmaschine, ca. 1920


Maar bewijst dit soort onderzoek iets? Nee. Hooguit dat Hammer zijn werk niet gedaan heeft, of het vertikt de rapporten van ‘zijn team van 15 deskundigen’ openbaar te maken - gesteld dat dit team überhaupt bestaat. Het is sowieso al een heikele zaak uitspraken te doen op basis van een kopie van een document, en Hammer is er blijkbaar niet voor te vinden de gecodeerde partituur te laten bestuderen door een team van onafhankelijke experten. Die zouden immers wel eens kunnen vaststellen dat zijn verhaal over Bormann en/of pastoor Otto geen hout snijdt.
Betekent dit gelijk ook dat we de hele partituur moeten afschrijven als een vervalsing van Hammer? Hoegenaamd niet. De bedenker van de code kan best een oude schrijfmachine gebruikt hebben, die in roulatie was vanaf bijvoorbeeld 1920. De ronduit knullige manier waarop ‘onderzoeksjournalist’ Hammer zijn boeken schrijft, maakt dat hij er bezwaarlijk van verdacht kan worden een dergelijke code te verzinnen. 
In plaats van een kopie van een wetenschappelijk verslag dat de claim van Hammer bevestigt, als zouden ‘het papier, de typografie en de doorslag van de letters zonder meer geloofwaardig zijn’ (en dus gedateerd kunnen worden omstreeks 1945), krijgen we foto’s uit het ‘Archief Karl Hammer’ te zien, met betrekking tot een veroordeling van Franz Xaver Schwarz die compleet niet terzake doet. Wat de runetekens betreft, zij komen overeen ‘met de stijl die Bormann zou gebruiken’… en dààrom zijn ze afkomstig van Bormann! Is dit niet belachelijk kort door de bocht, voor een onderzoeksjournalist? Andermaal komen we niet te weten op grond waarvan Hammer dit concludeert, en moeten we hem eens te meer op zijn woord geloven. Wat als de runetekens ook overeenkomen met de stijl van – ik noem maar iemand – Karl Maria Wiligut, de Oostenrijkse occultist die behoorde tot de staf van Himmler?




[1] ‘The uranium, in the form of small cubes, had been stockpiled by the Germans during the war at their atomic bomb research station in the foothills of the Kreuzeck, one of the heights above Garmisch-Partenkirchen,’ lees ik in Nazi Gold van Ian Sayer en Douglas Botting (Mainstream Publishing Company, 2003).