donderdag 16 april 2015

Edelweiss, Edelweiss...

Kolonel Franz Pfeiffer van de bergjagers
met het Edelweiss-embleem.


De nazi’s hadden aan het eind van de oorlog goud, deviezen, kunst en andere kostbaarheden, voor een deel afkomstig uit de Reichsbank van Berlijn, opgeslagen in de mijn bij Merkel. Ze werden daar meteen na de oorlog opgespoord door geallieerde kunstexperten ([1]). De vondst was zo enorm dat zelfs Eisenhower ze kwam bekijken.
In april 1945 werden twee treinladingen goud en deviezen uit de Reichsbank, getrokken door de locomotieven Dohl en Adler, via Tsjechië naar de vermeende ‘Alpenvesting’ (Alpine Redoubt of Alpenfestung) gezonden. De Alpenvesting zou oorspronkelijk een idee van Himmler geweest zijn, dat al dateerde van eind 1943: in geval van ernstige problemen zou de nazi top zich met elite strijdkrachten terugtrekken in het onneembare gebied dat zich uitstrekte over het zuiden van Beieren, het westen van Oostenrijk en het noorden van Italië. Andere bronnen beweren dat de plannen voor de Alpenvesting in de tweede helft van 1944 door Hofer, de Gauleiter van Tirol-Voralberg, naar Hitler waren gestuurd, maar dat Bormann ze maanden achter gehouden had. Toen hij het concept eindelijk aan Hitler voorlegde, was het te laat om er nog iets wezenlijks mee aan te vangen. Hoe dan ook, Hitler schijnt nooit wild geweest te zijn van het plan, en veel meer dan een mythe stelde de Alpenvesting niet voor. Maar Goebbels slaagde er met alweer een sterk staaltje propaganda in de geallieerden de daver op het lijf te jagen.
Pas in de tweede helft van april 1945 gaf Hitler het bevel voor de evacuatie van het overblijvende nazipersoneel uit het door de Russen belegerde Berlijn naar de Alpenvesting. Toen de Amerikanen korte tijd later doordrongen in het gebied, werd het al vlug duidelijk dat de gevreesde vesting niet meer was dan een luchtkasteel.

De schatten van de Reichsbank stonden onder de hoede van SS Obersturmbannführer (luitenant-kolonel) Friedrich Rauch, die eerder al over de veiligheid van de Führer had gewaakt in de Rijkskanselarij. Rauch was nauwelijks 16 jaar oud toen hij in 1922 lid werd van de NSDAP. Hij had de mislukte putch van 1923 meegemaakt, maakte later deel uit van de SA en werkte als politieman in Beieren. Rauch was een grote, sterke man zonder verdachte intellectuele kwaliteiten, een goed ruiter en een behendig skiër.
Op 9 april 1945 had het hoofd van de Rijkskanselarij, Dr. Lammers, Hitler weten te overhalen om het resterende goud in de Reichsbank naar een veiliger bergplaats te brengen in zuidelijk Duitsland. Op 14 april, terwijl het goud van de Reichsbank op transport ging, vloog Rauch naar Berchtesgaden om zijn orders op te halen. Het was de bedoeling de rijkdommen in de mijn bij Peissenberg te verstoppen, ruim 40 kilometer ten noorden van Mittenwald. Omdat er water in de mijn stond en de pompen niet werkten, besloot men het kostbare vrachtje maar naar de kazerne van de Wehrmacht in Mittenwald te brengen. Op 21 en 22 april escorteerde Rauch de schatten van de Reichsbank naar deze kazerne, waar de school van de bergjagers was gevestigd: de Gebirgjägerschule. Door de voortdurende luchtaanvallen nam het transport bijna twee weken in beslag.
Het hele verhaal wordt uitgebreid beschreven in een  aantal boeken, zoals het eerder geciteerde Nazi Gold van Ian Sayer en Douglas Botting, Storming the Eagle’s Nest: Hitler’s War in the Alps van Jim Ring of naslagwerken als Great Robberies, Facts on File.
Rauch liet het goud achter bij Wehrmacht kolonel Franz Pfeiffer, met vage instructies om het te beschermen tegen de geallieerden. Rauch zou zich in juni 1945 overgeven aan de Amerikanen, maar nadat hij een groot deel van de nazi schatten had helpen localiseren, werd hij vrij snel weer vrijgelaten. In 1948 emigreerde Rauch met zijn vrouw naar Argentinië, waar hij als José Federico Rauch een nieuw leven begon en zaken ging doen voor de Duitse staalfirma Exact SCL, die gevestigd was in Buenos Aires. Merkwaardig genoeg, zo ontdekten Sayer en Botting, zou hij daar nog een tijdje later het gezelschap krijgen van Franz Pfeiffer. Rauch keerde in de vroege jaren 70 terug naar Oostenrijk en overleed daar ook.
In april 1945 was kolonel Pfeiffer een veertigjarige oorlogsheld, veteraan van het oostfront, die in Mittenwald mocht komen herstellen van zijn verwondingen, als hoofd van de bergjagersschool. Een grote man, kalend, plichtsbewust. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de Nazi Schat lag bij het hoofd van de Reichsbank, Walter Funk. Diens vertegenwoordigers maakten de kolonel echter duidelijk dat het zijn opdracht was de Nazi Schat te verstoppen en veilig te stellen, tot de geallieerde wervelwind voorbij zou zijn getrokken en er uit de asse van het Reich een nieuwe Beierse staat zou verrijzen, die uiteraard ook op een of andere manier gefinancierd moest worden.
Pfeiffer liet zijn manschappen een deel van het goud verstoppen in de bergen bij de Walchensee. Daar beschikte hij over geheime munitie-opslagplaatsen op oefenterreinen van de Edelweiss-bergjagers. Omdat de plaatselijke bevolking lucht kreeg van wat er aan de hand was – varkensboer Veith wiens vrachtwagen gebruikt werd, had zijn mond voorbij gepraat – en omdat enkele ingewijden zelfs deviezen gingen ophalen, maakte Pfeiffer de depots leeg en liet hij ze met de grootst mogelijke spoed elders in de bergen weer verstoppen.
De Amerikanen hebben na de oorlog een groot deel van het goud gevonden, waarna het door compartimentering en slechte interne communicatie binnen het Amerikaanse leger spoorloos verdween. Een klein deel werd gestolen door soldaten die het gewoon met de post naar huis stuurden. Een groot deel van de deviezen werd na de capitulatie door Pfeiffer en de zijnen in het geheim gestolen uit de depots en verstopt in een groententuin bij een huis in Garmisch. Ook daarvan is slechts een deel teruggevonden door de Amerikanen.
Het merkwaardige is dat bij de schatten van de Reichsbank te elfder ure nog spullen zijn bijgevoegd afkomstig uit de Berchtesgaden, toen die vervoerd werden naar de Walchensee en voor de nacht opgeslagen waren in het ForstHaus in Einsiedl. Sayer en Botting hebben het in dat verband over een vrachtwagen waarvan de chauffeur verklaarde dat hij uit Berchtesgaden kwam, en die 11 mysterieuze kisten vervoerde. Iemand wierp er een blik in en zag flessen wijn, maar de kisten waren te zwaar om alleen wijn te vervoeren.
Jürgen Proske, een lokale onderzoeker uit Garmisch-Partenkirchen, vermeldt op zijn website ([2]) verklaringen van ooggetuigen, als zouden waardevolle goederen van hooggeplaatste partijbonzen aangekomen zijn in het Forsthaus van Einsiedl. Deze spullen werden apart gehouden van het goud en de deviezen van de Reichsbank, en waarschijnlijk elders in de regio verstopt. Hebben zij het over dezelfde spullen als die afkomstig uit Berchtesgaden? Hoge partijbonzen die in Berchtesgaden op de Obersalzberg een residentie hadden, waren benevens Adolf Hitler en zijn Berghof, Martin Bormann, en Hermann Göring en Albert Speer.
Ambtenaren van de Reichsbank waren stomverbaasd toen de dag na de levering bij de kazerne van Mittenwald en het daaropvolgend vervoer naar het Forsthaus, bij een controle bleek dat hun gegevens niet meer klopten. Er was veel meer aanwezig dan ze zelf aangevoerd hadden! Behalve de goederen uit Berchtesgaden bleken in de tussentijd ook nog waardevolle spullen van het Reichsbank filiaal in Konstanz gearriveerd te zijn.
Deze gebeurtenissen werden uitvoerig gedocumenteerd, onder meer door Sayer en Botting. Een deel van de extra’s zou toen weer opgehaald zijn uit het Forsthaus; ze verdwenen spoorloos en even plotseling als ze opgedoken waren. Apart verstopt in de bergen rond de Walchensee, zoals onder andere de Steinriegel, Klausenkopf, Simetsberg en de Herzogstand… en/of op de Buckelwiesen, vlakbij de kazerne van de bergjagers?
In de gecodeerde partituur valt meteen het woord ‘Edelweiss’ op. Dit kan een verwijzing zijn naar de bergjagers die het bloempje toen als logo gebruikten en dat nog steeds doen. Pas na de oorlog werd de kazerne van de bergjagers evenwel omgedoopt tot ‘Edelweiss kazerne’. Het is een aanwijzing te meer dat Pfeiffer en zijn bergjagers betrokken kunnen geweest zijn bij het verbergen van het goud en de diamanten waar de partituur naar zou verwijzen, of zelfs bij het creëren van de code die naar hun bergplaats verwijst. Maar het maakt er de rol van Bormann in het verhaal van Schulz/Hammer niet geloofwaardiger op. Misschien moeten we hier dan ook de reden zoeken waarom de  onderzoeksjournalist gedurende de vele uren die hij in Mittenwald sleet, of de gesprekken die hij daar voerde – onder meer met bergjagers – nooit achter deze toch wel essentiële informatie gekomen is. Indertijd deden geruchten de ronde, en uit mijn onderzoek ter plaatse blijkt dat ze dat nog steeds doen, als zou kolonel Pfeiffer goud verstopt hebben vlakbij de kazerne.
Pfeiffer emigreerde na de oorlog, zogenaamd platzak, naar Argentinië. Daar werd hij samen met Rauch mede-eigenaar  van een staalbedrijf. ‘Waar haalde hij het kapitaal vandaan?’ vraag ik mij samen met Sayer en Botting af. Ook Pfeiffer keerde in de jaren 70 overigens terug Duitsland.

Ik zou u nog veel meer kunnen vertellen over Edelweiss - zoals bijvoorbeeld de plekken waar je het zoal aantreft. Maar daarvoor zie ik mij genoodzaakt te verwijzen naar het ebook/boek De Hamer van Thor dat binnenkort zowel apart verkrijgbaar zal zijn, als in het abonnement. Er wordt ook gewerkt aan een Engelse vertaling.

Op deze site zult u ondertussen genoegen moeten nemen met dit filmpje: 





[1] The Monuments Men (2014), een Amerikaans-Duitse prent van George Clooney, gaat hierover. De film is losweg gebaseerd op het non-fictie boek The Monuments Men: Allied Heroes, Nazi Thieves and the Greatest Treasure Hunt in History van Robert M. Edsel.

Geen opmerkingen: